Reflectie

Stukje hemel, 2012, bewerkte foto

Hemels

Als ik geen schrijver was zou ik duizend woordwonderen bloe-
den. Niets zou mij helpen, geen gevleugeld, geen hemels
woord zou het bloed kunnen stelpen. Ik zou langzaam dood-
bloeden.
Daarom rommel ik maar wat aan en prakkiseer me grijs, pas
op dat ik niet ontplof bij te veel zelfreflectie. Topzwaar voel
ik me soms. Pas eeuwen later kan ik op meesterschap terug-
kijken. Het zal niet werken trouwens, ik zal het niet voelen.
Soms denk ik dat je in de hemel alleen maar verveling kunt
ontmoeten, er is geen enkele drang daar. Je verschuift alleen
maar zoete uren, terwijl eveneens verveelde meeuwen aan
je achterhoofd knabbelen.
Zo verschuift de zon naar een ander woord. Rust en orde doen
steevast de te korten van het denkbare leven. Kijk, ik heb in
mijn leven ook van alles verschoven om het licht te zien, maar
uiteindelijk sloopt de mist je opnieuw en begint alles weer van
voren af aan.
Soms denk je dan dat er in wezen niets valt te leren, zeker
als je er lang over hebt nagedacht. Je herhaalt een vergeten
verhaal dat even als nieuw aanvoelt. De engelentong verlept.
De ijver van vermoeide bijen is niet genoeg. Je zal poorten
open moeten gooien en niet bang zijn voor de starende ogen
in de straat. Klein en onbevangen ga je zo de vrijheid tege-
moet.
Het is een natuurwet, je kunt beter aan je eigen brein rukken
dan aan andermans machtige eiken.
En nu ga ik nog even een wilg versieren.

Bosrijk

Bos zonder regels, 2012, computertekening

Herfststuk

Grillig en wisselvallig kan het bos zijn. Ik weet er alles van,
ik woonde er lang bijna in. Feiten feilen oude troeven daar
als je even niet oplet. Ooit heb ik het bos verweten niet trouw
te zijn aan mij en dat aangelegde paden geen regels behoren
te zijn.
Mijn bos werd altijd knap humeurig als ik met mijn hond de
grond naast het pad betrad. Kleurige gordijnen van bladeren,
een walm van lijkenlucht was één van de gevolgen. Het bos
wou ons tot wrak fratsen, maar we tuinden er niet in en liepen
onze weg zonder te dommelen. Mijn hond en ik waren sterk in
die dagen. Onderweg grapte hij smoezelig: raak de slapende
hond naast de dode auto niet…(een auto had hem ooit aan-
gereden). Ik vond het heel zelfspot lollig, begreep zijn plezier.

Het bos is een vergaarbak van soezende zeeën op het platte-
land. In de herfst laten de bomen hun liefjes, de bladeren,
los alsof het ineens gebroken is waar je niets meer mee kunt
zien. Iedereen weet dat de bladeren feitelijk de ogen van de
boom zijn. Maar het kan ook zo zijn dat de bladeren moe zijn
geworden van de lange vergaderingen in het bos.
Hoe dan ook op goed geluk vertrouwen ze bij afsterven op
een later, fris nieuw leven. Bomen weten blindelings hoe dat
moet.
Je hoeft de vlag dus echt niet halfstok te hangen als er een
blaadje valt. Zelfs de stamvader laat dan een stuurloze lach
horen (wat wij mensen dan vertalen in geritsel). Geketend
aan het circuit van het seizoen verliest hij graag.
De eerste voorjaarsvlinder maakt de boom blij, knoppen gaan
spontaan weer spruiten.
Onnoembare namen van tekens liegen niet. Nooit.

Halfgod

Blue night, 2012, computertekening

Blauw werk

Zij viel niet in dienst van een vurig geloof. Voor haar geen
nodeloze strijd voor de platheid van een groot ideaal. De
schrale schimp van gelovigen deed haar niets. Integendeel
ze vond het maar sneu voor de ander. Ver verwijderd van
geloof in het hiernamaals zag zij de dood gewoon komen
en het leven eindigen zonder een eventueel vervolg.
Aan de andere kant zou zij niet weten wie ze was. Ze deed
haar plicht zonder te weten wat zij vervulde. Als het avond
wordt gaat de wind vanzelf liggen scheen ze te denken. Wij
weten wel beter inmiddels. Wij laten de rozen bloeien.
Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat ze instinctloos door het
leven ging. Niet naamloos, dat was nog erger. Iemand wiens
ziel geen naam draagt heeft geen lichaam.
Gelukkig hoeft niet iedereen een halfgod te zijn, al is dat
vaak leuk gezelschap. Halfgoden hebben veel fantasie en
koesteren menslievende gevoelens. Bij haar gaf menslievend-
heid geen pas. Daar was ze te nuchter voor.
Het was een hele kunst om de geest zo min mogelijk aan de
wil te onderwerpen. Je verkleind daardoor je persoonlijkheid
en banaliteit komt niet voor. Tenminste niet in je eigen ogen.
Misschien was ze daarom wel verheven, vergreep ze zich aan
het grote niets.
Persoonlijk droom ik over macht en roem. Ik wil niet van nut
zijn. Ik wil iets hebben om me aan te ergeren. Ik heb een
hekel aan nut. Ik ben een altruïst op mijn manier.
Zo eindigt dit belangeloos verhaal.

Nieuwe mensen

Sloot bij Duurswoude, 1974, 80 x 80 x 80 cm, olieverf

Vroeger is toen

In de schaduw aan de bosrand stond een groot huis. Er waren
nieuwe mensen gekomen en alle grauwheid was volkomen ver-
dwenen. Dat kwam omdat die mensen behept waren met een
zekere leerlust. In het bos hoorde je nu geen enkele knieval
meer. Een eenvoudige houthakker had alles al zwaar bonkend
weggeslagen. Dieren gaven hem een warm applaus.
Wat eens onder oude lagen stof lag kwam al poetsend als
blinkend goud helder te voorschijn. Met de kracht van een
magneet van een bezetene, die zich maestro noemde, sloeg
de nieuwe man elke papzak aan flarden. Er zaten veel losse
elementen. Alles werd met overleg verwijderd en hard aange-
pakt. Een nieuwe, zonnige wereld verscheen.
Vlinders ontwaakten weer. Eenzame beenbleke bloemen kre-
gen hun kleur terug. Het verloren zaad rekte zich zo lang
mogelijk uit en liet zien wat echte natuur was. Hier was zeker
sprake van een groot geluk en rust.
Toen dat geluk het oude had weggestroomd kon de meester in
stilte verder dromen. Achter de oranje en bruine kozijnen was
de wereld één groot en mooi gebaar. Hij telde de talrijke spin-
nen voordat ze de vrijheid kregen. Heel de omgeving werd
losgezongen van vroeger. Alleen de naam van het huis bleef
nog bestaan, als anker en hommage voor de postbode.
Geen dag was meer hetzelfde, de dagen waren juist aange-
naam wisselvallig. Feiten overtroefden oude fouten. Niemand
raakte overwerkt.
Totdat het lot op een slecht moment het geluk in gekte liet
vallen. Toen spoelde alles blindelings weg. Eerst langzaam,
daarna sneller dan het leven. Niet meer bij te houden.
De weerstanden waren opgestaan, deden hun werk.

Nu is alles opnieuw zielloos en verlaten.
Soms hoor je daar nog een lauwe, jammerlijke klarinet in de
sloot bij het huis schrijven.

Denkend licht

Steel als een artiest, 2012, boek 103, pagina 46

De artiest

Tot in de hammen en de spieren rukt de gevoeligheid van de
kunstenaar op en laat het daar flink broeien. De almachtige
eiken van het brein zijn dan allang verdwenen onder je eigen
steelpan. Het circuit is gesloten, niet meer ontvankelijk.
Op zo’n moment is er sprake van een soort leegte. Je leeft in
het land van IT = IT. Doordat de hand de hand van de liefde
begroef is er even niets. Het is zoals het is. Je voelt geen pijn,
alles is dof. Misschien is dit het moment om diep in je trui weg
te kruipen. Truiman, treurman.
De verwarring danst voor de ramen, roept in de straat. Hij die
de weg weet heeft het woord. Gaat ermee vandoor. Om jaloers
van te worden. Hij wel!
En zo groeit het groen van de slaap tot de zon van de vertede-
ring je wakker maakt. Meestal gevolgd door het licht strelen
van een warme wind.
Als artiest speel je vaak met de elementen. Het maakt dat je
ogen en je stem gaan spelen. Vruchten schieten zomaar uit
de grond. Dat heet kunst. Je bent doorschijnend scheppend.
Blij. Je hebt met gejubel het gejammer verdreven.
Ondertussen springen alle leeglopers weg. Het uitzicht is weer
fraai. Je hebt een hoofd vol denkend licht. De geest heeft zich
overgegeven en pakt alle verborgen bronnen. Slangen sissen
niet meer, ze zingen. De klimop is van de ogen gevallen en de
kamer zit vol goud.
Iedere kunstenaar is zijn eigen spook.

Eigen echo

Ronde maan, 2012, boek 103, pagina 49

Gezin gezien

Midden in de stille nacht lag hij op bed met zijn ogen dicht,
zonder dat hij de slaap kon vatten. Hij wou te graag en dat
moet helemaal niet. Het was helemaal onzin te bedenken
dat hij zichzelf met grote wil in slaap kon toveren. Dus daar
lag hij dan in halve toestand tussen waken en slapen .
Hij hoorde de echo van alles.
Het meeste kwam voort uit de rest van die dag. Hij had echt
nog meer moeten zeggen op bepaalde  momenten. Gewoon
de wind van voren laten blazen. Maar ja, je mocht je er dan
ineens niet meer mee bemoeien, je moest je mening dus voor
je houden.
Inwendig kookte het. Vader en zoon zaten de hele dag al te
bakkeleien. Vooral de zoon ging luidruchtig te keer en dan
kon hij natuurlijk niet achterblijven. Ze waren te veel gelijk,
kennelijk.
Moeder bleef dus muisstil en liet de boel lekker vastlopen,
waarop ze prompt alles over zich heen kreeg van beide. Het
was ineens allemaal haar schuld. De derde persoon is helaas
vaak de pineut.
Uiteindelijk kwam het er op neer dat iedereen apart ging sla-
pen, al of niet met een kwaaie kop. Moeder viel pas in slaap
toen zij bedacht dat haar man een dik, bevend rietje was in
plaats van een vlijmscherp mes. En vooral: morgen is er
weer een schone dag waarop iedereen weer weet en doet.
Bovendien scheen de maan nog altijd even rond.
Toch waren deze mensen erg aan elkaar verknocht.
Wie voor het huis langsliep hoorde altijd een vrolijk praten
en lachen, of anders wel een mooi dromerig muziekje.
Niemand heeft ze ooit horen ruzie maken.
Nee, ruzie dat woord kenden ze daar niet, hoogstens wat
verdriet.

Stoffige droom

Kampf, 1986 – 2012, bewerkte foto

Stof, strijd, strik (droom)

Zij is een vleselijke denker. Beslist!
Haar vleespotten zitten rijkelijk boven de knieën. Zij denkt
dat ze weet, is dus mens. Op een helder moment weet ze
dus ook: ik ben de afgrond, de leugen en de dood.
Toch eet ze zich niet vol. De opgeblazen stroomgod in haar
verbiedt het. In zijn rustige vlammen flakkeren haar ogen en
hij laat de schaduw van het hart verbleken. Dat komt koeltjes
over. Het maakt haar solitair. Tot aan de grens van de wereld
bidt zij haar handen stuk. Haar stugge lijf keert terug in haar
heilige moedervorm.
De dochters des lichts vullen soms vol overgave de bronstige
zalen. Zij zullen hun dierbaarste vruchten laten beroven.
Kleine en grote bergen zullen borsten vermengen en hun bon-
te rokken optillen. Dat is een feestelijk gezicht, het doet de
wolken schuimen en de spiegelende maan huilen.
Tot aan de ijzige horizon, daar is een een ander moment, zal
het lichaam rauw gegeten worden en stralen als een boven-
aardse gevende hand.
De volgende dag begint de wereld daar en daar. Noem het
maar stof. Als alle gestaltes zijn opgestaan en gaan waggelen
tussen de gammele zuilen, dan ziet de moeder neer op al die
dochterdampende lijven.
Zij is een vleselijke denker en houdt niet van het gelach bij
de fonteinen of van het gehuppel van de vrije vogels, die als
versierde vingertoppen aan de boom van het kwaad schom-
melen. Haar ogen krijgen dorst en dat deugt niet omdat ze
altijd belaagd en beluisterd wordt.
Dit verhaal eindigt in een vacuüm of valstrik, tenminste in die
rare droom.

In de wolken

Hondenhemel, 2000 – 2012, bewerkte foto

Soms is alles eeuwig, als een wolk

Mijn hond stierf in mijn armen, op schoot. Ooit en lang gele-
den was dat een heftige, eenzame dag. Langzaam voelde ik het
leven uit hem wegglijden. De hond werd ineens geschiedenis,
ik ging door.
Veel later maakte ik een werk over hem, Hondenhemel, omdat
ik vaak in de bloemkoolwolken zijn figuur terugzag. Een mooi
teken. Liefdevol bedacht. Nu ik ouder en kleiner word moet ik
vaker aan hem denken.
Het vlees en de geest past zich kennelijk aan. Wellicht leef ik
nog een jaar of dertig voordat de doodskreet gaat krassen.
Je begint soms te denken wat er met je werk moet/mag ge-
beuren.
Alles is niet even ellendig mooi, er zijn vele kapotte of bene-
pen orgeltonen bewaard. Wie gaat daarin kiezen als ik niets
meer kan zeggen met mijn lollige gebaren? Komt het beste
gewoon bovendrijven? Dat denk ik wel. Vaak kan een ander
een werk immers beter inschatten door minder informatie.
Soms zou je wensen dat je je werk ook langzaam kon laten
sterven. Een volumeknop mag dat dan regelen tot dat het
nulpunt is bereikt. Alles weg!
Als mijn schrift niet meer als warm water loopt en vergleden
is in koud vuur, dan leeft mijn late ik niet meer mijn oude ik.
Mijn hand zal misschien vergeefs verdwaald tasten naar iets
wat alleen in de verbeelding kan leven.
Dat zou mooi zijn: over je eigen schaduw heen krommen, over
de Toscaanse heuvels heen en lang, langzaam en voorzichtig
voorgoed verdwijnen. Liefst op een avond.
Laat me dus die dertig jaar tussendoor goed verschijnen.
Later zal ik op mijn beurt wenswolk zijn.


Even geduld

Weggegumd werk, 2012, bewerkte foto

Verdwenen werk

Een stuk gum is eigenlijk een sloopwerktuig. Gemaakte lijnen
doen er niet meer toe en moeten worden weggehaald. Het
moet van de willekeur, die kan soms heel streng zijn. Al gaat
een lijn op de tenen staan, hij gaat er aan, wordt weer lucht.
In deze dagen gaan gedachten rondom de dingen en worden
deels duidelijk. Geen ding zal winnen, alles is even belangrijk
of onbelangrijk. Slechts door de handbeweging, een soort op-
legging, van de kunstenaar zal een ding in waarde stijgen en
is de tijd niet tijdelijk meer.
Hoe moeilijk kan een lijn zijn?
Eerst moet hij zich losmaken van het pakijs rondom verdriet.
Geen gemakkelijke opgave, de mens is sentimenteel. En als
het dan in de loopmachine komt van de logge onderdelen dan
moet je maar smeken om geduld om je gave gerust te stellen.
De bronnendorst drinkt op volle toeren en laat zijn goed ge-
smeerde slijmen zien. Hopelijk slaat daarna de bliksem in en
is het rondtasten voorgoed voorbij.
Na het gegum is er dus een eindeloze lege weg. Witte vegen
op wit papier liggen als gladde witte stenen in een verdwenen
dorp. Het wordt tijd voor een smerige, vieze, stinkende wolk.
Pas als die wolk zich oplost vind je de verborgen lijken tussen
de stenen en laat die lege witte weg langzaam zijn nieuwe le-
ven zien.
De terreur van het potlood slaat opnieuw toe.
Hij is geen luchtschrijver. Er komt een melkwitte stad of een
spekvette maan, die als een klont in de luchtpap staat.
Nog even geduld en dan zie je het ook.

Genot

Vlinderlikken, 2012, boek 103, pagina 7

Tijdgeest

De weelde van de koele razernij dreef bedachtzame mensen
dichter bij elkaar. Zij toosten op de harde macht. Eigenlijk
was hier sprake van gespeelde emotie. Het rondvliegend
spektakel van dialoog en spetters deed heel wat stof op-
waaien.
Tot ver in de portiek vochten ze hun schaduwgevechten uit.
Het publiek keek toe, genotzuchtigen tellen voor twee.
Het grote vlinderlikken was begonnen.
Men gunde elkaar het licht niet in de ogen. Op zijn hoogst
misschien wat weinig licht, als het moest. Als dobbelstenen
in de duisternis werden plannen steeds herschikt of omge-
gooid. Je zou er uitslag van kunnen krijgen als zenuwlijder.
Sommigen vergeleken een bepaald persoon met een van
insecten bezeten sneeuwvlokje, die op alle wanden van de
wereld nieuwe Eskimo’s weigerde en vervloekte.
Dat was niet erg fraai, maar wel vermakelijk. De persoon had
het er dan ook naar gemaakt, hij had zijn grenzen moeten
weten.
Nu is het zo dat alles er binnen anders uitziet dan buiten. Het
doornen doolhof van de regering is daar een voorbeeld van.
Zij lopen tegen beter weten in nog met gemak op drijfijs. Waar
een ander kruipend op uitglijdt verdraaien zij Gods hand met
kinderlijk gemak.
De licht bevonden schapen laten heel het land branden.
Zij kunnen en willen niet anders.
Zij leggen uit dat ze vuurvaste handen hebben.
Zij kunnen mist in wijn veranderen.

De herder denkt:
Een ondoordringbaar woud bestaat uit veel schaduw en veel
hout dat vlug ontvlamt. Het verdrijft de zwijnen naar alle
kanten.