Eigen collectie

Draagboek, 2012, boek 103, pagina 38

Portret van een dikke duim

Als hij ’s morgens verschijnt, glanst hij vrolijk. Het is geen
act. Voor je het beseft staat hij omhoog gericht.
Huizen zijn meestal mooie maskers, dicht hij. Hij bezit een
huis dat hij voortdurend klein houdt. Of houdt juist het huis
hem wel klein. Ergens heeft hij het al jaren verlaten terwijl
hij er nog steeds woont. Hij leeft in dat dorre bosje en gooit
met regelmaat een gloeiende steen in zijn literaire vijvertje.
Dan kan ie mooi groeien, zegt hij daarna.
Als je op de juiste momenten en tijden werkt en niet luiert
ontlast je jezelf. Zeker als je het glas leegdrinkt en het gras
aan de koeien teruggeeft.
Kijk, iets mooiers dan waanzin is er niet. Het moet je pad
flink doorkruisen. Zo ontstaat je eigen collectie. Doe er een
verbleekte zegel op of een kushand in het donker en de
wereld zal er aan gaan kleven.
De in niets oplosbare kleefstof is nooit wanhopig. Dat kan
hij/zij niet. Al het gepluk en getrek helpt niets. Ook alle
wegwerpbewegingen zijn volkomen vruchteloos.
Bedenk wel dat alles zijn prijs heeft.
Je leeft niet in de woestijn, maar in de straat. All wijsheid
kan zomaar verdwazen als je je gedrag wijzigt. De taal waar
je doorheen moet waden is wel degelijk zuivere mensentaal.
Eeuwenkunde zit meestal in de dikke duim. Dat mensen zo
slecht kunnen vertalen is heel iets anders. Bovendien bestaan
mensen korter dan wormen. Toen de mensen nog niet beston-
den, waren er al wormen om ze op te vreten.
Vergis je dus niet!
Er is van alles, alleen vaak niet op zijn plaats.

Luchtmens

Even a snowman, 2012, boek 103, pagina 47

   werktafel, 2012

Na de witte dagen

In oude tijden toen de vele vogels nog sneeuwden was er
altijd een leegte in de verste verte. Het was daar stil, want
zelfs de zuiverste lippen stonden zomaar stijf van de vorst.
Ruw en laag wandelde daarna de regen alles weer zacht.
Waarheen zijn die dagen toch gegaan?
Wolken bleven wit over. Alles leek stom en van steen.
Toen kwam ineens het lied met het geluid van het eeuwig
leven. Eerst buigend en bevend, daarna vol van lip.
Het weinige van de werkelijkheid werd steeds meer en meer.
Vleugelslagen werden voetstappen. Het gezicht van de stilte
had te veel adem en maakte er steeds wat moois van. Men
sprak nu glimlachend over de leegte. Mensen kregen een
warme gloed van de aardgeest op de wangen. Ze zongen
naakt en darteldansten vrolijk in de diepe avonddalen.
Koude sneeuwmannen smolten, raakten in snelle ontbinding.
Wat achterbleef waren de zwarte kooltjes, nu losgelaten van
hun vriespunt. Die vruchtbare ogen gingen voortaan vuur-
waarts in glimmende haarden om tenslotte te eindigen in de
altijd ontvangende aslade.
Kortom ieder mens was nu een echt luchtmens zoals het
hoort na de warrige witte dagen. Zij waren voor altijd ver-
bonden met een goed  evenwicht.
Allemaal heel innig dus.

Fantasie

Kleurkop, 2012, computertekening

Onrust

Het razende wiel in het oor maakt hem wat van streek. De
lange jabroer eist zijn tol. Even lijkt het te wemelen van
elastieken halzen, maar dat gaat gelukkig snel over.
Hij springt op naar een nieuwe maan. Zijn kokende hand raakt
het snel aan. Tenminste in de koninklijke roos van zijn ver-
beelding.
Als kind had hij al een te grote fantasie. Het was zijn onbegre-
pen onrust. Hij smoorde zo de akelige alarmen.
Anderen noemden hem een zacht fluitende flapdrol, wat hij op
zijn beurt een eer vond, hij was tenslotte muzikaal. Hoe dan
ook, zijn kolkende brein werkte altijd op volle toeren. Op die
manier word je behoorlijk oud en niet voorgoed vergeten,
scheen hij te weten.
Geen dood doet hem schrikken, hij heeft toch veel te veel
kleur voor die lege brokken. Zijn hartstocht doet menigeen
behoorlijk schrikken. Men is te gauw jaloers.
Op andere tijden zingt hij soms als robot een verlossend lied.
Dat wordt op prijs gesteld, men hoort wel duizend zingende
violen. Ieder gat wordt mooi dichtgeknepen door de mooie,
gevoelige klanken.
Onder de ruisende kruin van het geheugen wordt alles opge-
slagen, klank voor klank, bladzij voor bladzij.
In iedere stoffige bovenkamer wordt een souvenir een relikwie.
Uiteindelijk, als zijn gelaat alleen nog maar een kamerplant is,
ontkleurt alles tot het grijs van een verlaten wrak. Achter de
bleke oogkleppen kleppen de noodklokken al.
Alles eindigt tenslotte.
Tussen de blozende dovemansoren ligt veel herinnering.

Donker

Nachtbeet, 2012, computertekening

Die nacht

Als het nacht is hoef je niet meer te oogsten in de dwaaltuin.
Dat scheelt. Onnodige, onmondige onzichtbaarheden bestaan
niet meer. Pas als een bundel licht de duisternis verlicht krui-
pen de kreten van de kamer uit alle hoeken te voor schijn.
Zij tonen de zwarte stilte en de schreeuw van de dove in de
keel.
Ook al hebben alle getuigen zich verschanst, in een verse
bundel licht zijn ze het bewijs van het knevelen en kwellen in
deze o zo potente tijd.
Laat het liever donker blijven, zodat men ogen en oren sluit.
Juist in die nacht werd een streep weggeveegd en zag je twee
verkreukelde koppen. Het laken stond nog in het gezicht. Ver-
waaid en eerst onbeweeglijk lagen ze naast elkaar. Alles wat
waar was hoorde er niet te zijn. Zij waren geen paar. Zij waren
levend brood, aten elkaar op. Hun lippendiensten waren blij-
moedig bij elkaar aan het pootjebaden. Het brood werd pap,
als karton in te lange regen.
Een buurman die gehurkt op het bed met zijn oor tegen de
muur stond te luisteren zei: Ik fluister in een vergiet, geen
liefde, geen verdriet. Daarna at hij nog meer lucht. De nacht
had hem stevig beet.
En zo versleet iedereen de nacht op zijn eigen manier.
De waan van de raadsels vervolgde het leven.

Stille tong

Saskia, 2008 – 2012, bewerkte foto

Kijken

De tong is stilgevallen.
Het oog is overvol.
Vandaar.
Hier zit geen gevaarlijk mens. Er kloppen geen kikkers in zijn
keel. Hij is afwezig voor alle anderen, hij is even één met het
werk aan de muur.
Dat mag.
Het vuur kijkt hem aandachtig aan en heet Saskia, net als de
vrouw van Rembrandt. Sterker nog: ze is zijn vrouw. Je ziet
het aan haar blik. Na alle eeuwen verlaat ze in een lauw uur
haar ijszeeslaap. Saskia is nog maar net wakker, haar oogje
staan nog klein. De geur van bessenijs spat van het doek.
Is dit misschien het overgevoelige uur?
En waar is Rembrandt gebleven? Gesmoord in zijn vergren-
delde cabine? Geschrokken van zijn ellendige blanke hand?
Hij is waarschijnlijk tot in het merg van de deur verdwenen.
Weg in zijn laatste, slopende solo.
Daar valt je tong toch van stil?
Andere ogen dan de zijne zullen haar zien. Met wilde regel-
maat. Saskia is niet gratis meer. Op de treeplank van deze
tijd zie je dat ze en grijs masker draagt. Om zich te bescher-
men tegen al die betaalde blikken. Ze wil haar schatkamer
niet leeg laten roven. Ze likt de hielen van de hoop en streelt
in gedachten haar vervagende heerlijkheden.
Het wordt tijd niet meer op de wil van de rijken te letten.

Boswandeling

Kind kind, man man, 1994, acryl, 100 x 80 cm

Vader, zoon

Toont dat je toont!
Naast al de verschillende houdingen die je toont hoe mensen
zich gedragen mag je toch de houding van het tonen niet ver-
geten.
Zoiets zei mijn vader tegen zijn zoon terwijl ze in het bos wan-
delden. Ik was toen nog te jong om alles te begrijpen en knik-
te alleen instemmend. Dat leek me althans het beste. Ik zou
voortaan altijd tonen wat ik te tonen had. Zeker ambachtelijk.
Wat je met veel inspanning levert is altijd de moeite waard
om naar te kijken. Het vergemakkelijkt het inzicht en inzicht
is of geeft handel.
Ik moest er aan denken door een werk wat ik zag op een ex-
positie. Daar wordt het tonen zeker getoond! En nog wel op
een bijzondere manier. Alle pronkstukken worden vergeleken
terwijl ze op zichzelf bestaan.

Gek

Gold touch, 2012, boek 103, pagina 40



Proces

Hij had het akelig vertrouwen mooi uitgelegd. Dat kon omdat
hij beschikte over waardevaste wilskracht. De mensen rilden
bij zijn verklanking van zijn walmend hart.
Zijn hondstrouwe mogelijkheden leken nog niet uitgeput, zelfs
niet in de huidige monocultuur. Hij leerde zijn hulpkrachten
zwijgen, zodat zijn zonnestralen meer effect hadden. Vleugjes
geduld maakten vrolijks dansjes en spoelden tenslotte van
zijn dij.
Omdat je nu eenmaal nooit zeker kan zijn van de mensen om
je heen kun je maar beter op je zelf zijn, scheen hij te denken.
Al hebben ze honderd keer gezegd dat ze van je houden, je
kunt er niet op rekenen. Op een volgend moment zullen ze
zich misschien weer bedenken als ze tijdelijk geprikkeld wor-
den door iets anders. Daarom maken we misschien ook afspra-
ken, tekenen we contracten, sluiten we huwelijken. En als het
dan toch mis gaat ligt het nooit aan jou. Ik heb geen fout be-
gaan, ik heb het goed begrepen, jij niet. Die houding.
Ik dwaal af, terwijl het zo mooi begon.
Hij was geen bitterman. Met vreugde getuigde hij zelfs een
soort waarheid:
Niets blijft ons bespaard. Alles wordt ons afgenomen.
Nergens is een veilig plekje. Iedereen is gek.
Breng daar maar eens iets tegen in.
Veel succes had zijn schrijverij trouwens niet. De laatste keer
dat hij iemand aan het huilen kreeg was niet met een gedicht
maar met een scherp gerecht. Te veel kerrie! Al na twee hap-
pen stroomden de tranen over de wangen.
Tussen twee happen door pufte het slachtoffer: het fijne bij
dit eten is dat je altijd zo opgelucht bent als het op is!
(gevolgd door een gesmoord snikken)

In broei

Dode dichter, 2012 boek 103, pagina 8

Gegeven

Als hij zong: hier ben jij niet, hier ben je niet, dan was hij er
juist wel. Waarschijnlijk net teruggekeerd uit de wolken van
eigen damp. Een ander woord wat aan hem kleefde was door-
bunkering, hij hield nooit op. Onverzadigbaar.
Sommige ervoeren deze man als een levende dode dichter. Ze
roddelden dat er niets meer uit zijn hand kwam en dat hij een
dode tak was geworden. En die is monddood.
Dat konden natuurlijk alleen maar oppervlakkige mensen zijn
die dat beweerden. Want in werkelijkheid was hij nog lang niet
dood of aan het verdwijnen. Hij was een zwemmer in een ver-
borgen zee, stagneerde hoogsten even en dat kan af en toe
juist heel gezond zijn. Zo verroest je niet.
Straks zal je zien dat hij met nog meer lef iets nieuws, iets fris
gaat lanceren. Nu staat hij in stand broei. Het bloed kruipt om
zichzelf in stand te houden.
Dan zal hij zeggen: ik ben een woord, ik ben buitennissig.
De dichter zal doordringen tot diep in de aarde. Men gaat met
aandachtige gezichten lezen, horen. Het oor zal nooit meer
loom zijn. De nieuwe uitgestoten woorden laten s’ avonds via
een maagd voor het raam haar licht vallen. Onder haar be-
sneeuwde toppen zal men in huilen uitbarsten, zodat de bo-
men beter kunnen drinken.
Het is een gegeven dat dichters gevoelige voeten hebben.
Zo houden ze goed contact met de aarde. De aarde weet
alles van ernst en ergernis, is er mee opgegroeid.
Ieder vermoeden is allang een eindeloze herhaling.

 

Weerklank

Keuzekop, 2012, bewerkte foto

Halve gare

Doorgaans geef ik mezelf de schuld voor mijn smakeloze
vruchten. Anderen mogen wel zeggen dat ze iets mooi of
fraai vinden, zelf doe ik dat niet graag. Maar toen iemand
mij vals beschuldigde van een houten kop, sloegen alle
stoppen door.
Ik voelde het lot in mijn handpalm gutsen. Onder de een-
zame mannenlamp krijgen dingen vaak een dubbele scha-
duw. Een schaduw die je bovendien ook nog steeds in wil
halen. Als student schreef ik daar al een gedicht over en
noemde het Paranoya.
Ik zal je de puberale heethoofdigheid van die tijd maar
besparen, maar het ging over een zeer nerveuze fietser
die zichzelf steeds maar inhaalt. Later blijkt hij gewoon
in de nacht onder de lantaarnpalen door te fietsen, die
hem die schaduwbeelden gaven (iets wat ik zelf als stu-
dent in het holst van de nacht, na mijn nachtwerk, vaak
beleefde).
Hoe dan ook, vanaf mijn kinderjaren zag ik iedereen op
hun rug. De logica daarvan ontging me totaal. Nu nog.
Mijn vader zei dat dat over vaderschap ging. Hij riep mij
op tot zoonschap. Ik moest hem volgen, maar deed het
niet. Liever keek ik naar een oude eik. Die bewaart ten
slotte alle winden en stiltes als een goed bewaard geheim.
Kijk, de meeste mensen vergeten boom tot boom. Een
weg zonder einde houdt dan niet op. Dan moet ik weer
komen met mijn gouden sleuteltje, anders gaat er geen
enkele deur open. Ik ontvouw nu eenmaal de geschiedenis,
tot voorkort nog een dicht, eenzaam lied.
Als leidsman loop ik recht naar voren en sla de vonken uit
de sneeuw. Mijn dubbele weerklank antwoordt in jouw
plaats, terwijl de donkere nacht tegen de wind in vaart.
Boomwortels krijgen mijn stroom, in je boomgaard wordt
het licht.
Aldus een halve gare.

Inlijsting

De blik, 2012. bewerkte foto

Eigendunk

Op de open plaatsen van je kladpapier is jouw handschrift
onherkenbaar voor een ander. Misschien sloot je te veel com-
promissen of luier je te veel in je leven. Misschien.
Terwijl je kalm of hysterisch in de bruine duisternis met alle
woorden een gevecht aangaat, lukt het je niet dat te zeggen
wat je wilt zeggen. Woorden zijn geen stukjes hout op een
schaakbord. Wat je schrijft is niet wat je aanraakt.
Misschien heb ik je ooit verkeerd begrepen, ging de inkt bui-
ten mijn pen. Dat kan zijn, maar ik heb nergens spijt van.
Als ik onderweg met woorden en zinsdelen je hebt vermoord
dan kwam het door mijn schrijftafel. Die doet mijn woord-
groepen, mijn zinnen en geeft mijn ideeën gestalte.

Een eigen inlijsting kan dus geen kwaad, ik ken mijn waarde.
Een hoffelijk onthaal duwt me ferm omhoog. Mijn onsterfelijk
handwerk kent geen broddel, hoewel ik weet uit de duistere
voorvallen van het leven dat schrijven nooit het leven is.
Schrijven is een vluchtmarathon.
Een wit, leeg vel is wat het is en hoort te zijn. Een pen en de
greep van de hand dat is schrijven. De pen hanteren daar
gaat het om, dat impliceert lijden en verblijden. Immers het
schrijven tilt het zwaarste rotsblok even omhoog voordat het
weer naar beneden valt.
Het schrijven kent geen wettelijk voorgeschreven metaforen.
Onderwerp en bijwoordelijke plaatsbepaling zijn vrij. Het enige
wat je als schrijver moet doen is in beelden te denken en niet
bezorgd te zijn omdat er mensen op het punt staan je te lezen.
Je moet je vuur belichten.