Grondtoon

De druppel, 1995, tekening, A4

1995_de druppel_k

Aandruppelen

Hij weet het zeker deze keer, hij is zijn eigen reus. Hij kan een rots
met groot gemak met één hand doen splijten.
Met die stemming gaat hij eigenmachtig op stap. De buurvrouw van
boven kijkt hem hoofdschuddend vanuit een raam na.
En als hij dan tot slot zijn vaste kroeg heeft herontdekt klont hij aan
de bar vast, terwijl hij van zijn eigen schaduw geeuwt.
Hoezo oude reus?
Zo de boter smelt in een warme pan, zo zal men blijven praten tot
de kroegbaas de bel luid voor een laatste glas, terwijl de muziek
nog maar net in het brein begonnen is.
Het alarm komt boven de harde muziek hard aan. Ineens wordt de
wereld zo zwart als de pit van een te vroeg  uitgeblazen kaars. Het
volk loopt op vers gesneden pantoffels weg. De reus valt voor dood
neer en lijkt nu meer op een weke, slappe knaap. Zo naakt als een
hoopje natte watten.
Hij had net iets te veel geoefend in zijn veelvoud.
De verstilde sfeer wordt niet meer door hem aangeblazen.
Hij is zijn eigen horizontale grondtoon geworden.
Ondertussen druppelt alles door.

Kort

Romulus en Remus, 1997, tekening, 50 x 120 cm

1997_romulus en remus_50x120_k

Het verleden leeft even

Wel meer dan zesentwintig eeuwen deed zich een wonder voor.
Een eenzame rivier stroomde van de bergen door een moerassige
vlakte naar de zee. Welig groeiden de heesters aan zijn oevers en
de watervogels, die tussen een wilde weelde van planten hun voedsel
zochten, werden nog door geen mens verjaagd. Slechts zelden drong
een enkele herder door tot de rustig voortglijdende stroom.
In die tijd mochten maagden niet trouwen, je liet je bezwangeren en
aanvaardde de daarop volgende onverdiende straf. Zo zag een tweeling
ineens het nieuwe licht. De moeder was zo geschokt dat ze de kinderen
afstootte.
Vrienden zetten de nieuw geborenen in een mandje aan de oever
van de rivier. De rivier trok zich op haar beurt spontaan terug zodat
een verdwaalde wolvin de kinderen vond en zoog. De verwilderde
kinderen groeiden door en sloegen elkaar later dood.
Zo ongeveer moet het gegaan zijn toen en ooit, kort samengevat.

Gal

Dark light, 2003, acryl, 40 x 30 cm

SAMSUNG DIGITAL CAMERA

Donker licht

gal verpest
de schoonheid van een meisje
blijkbaar woordeloos geboren
je hoort niets

maar ik zie die zwarte klont
donkere ijle stemmen
vermoeden zwanenzang
engelen trekken

gal verraadt
haar zang en drang
blijkbaar geluidloos
je hoort niets

gal vergeelt
de huid, bijna wit
op de hemelrand
trekken engelen

het is stil
je hoort niets
helemaal niets

dat kan

Tijd

Op zoek, 1984, bewerkte foto

1984_op zoek_bfk

Nachtdenken/nadenken

Een lezer schrijft om te mogen klagen.
Hij vindt iets wel of niet en zegt hier heb je één van mijn gedachten.
Die lezer zal je niet bellen, hijzelf belt noch ontvangt. Hij schrijft het
liefst heerlijk klaaglijk van zich af.
De dichter zegt natuurlijk gelijk houdt daar mee op! Onmiddellijk!
Hij kan de nachtegaal niet horen zingen als er zo geklaagd wordt.
De dichter zet alles weer mooi recht, verknoeit geen woorden.
Een klager moet een hart van steen hebben om zo blind en boos
te schrijven. Hij ziet niets uit onvermogen, is thuisloos thuis.
Het nacht-nadenken is niets voor hem. Dat doen alleen de vrijen van
geest. Die hebben aan één nacht nooit genoeg, zij willen doorwan-
delen onder het dekbed van blauw gebloemde bomen.
De zomer schreeuwt een kleine verrassing en de nieuwe wending
die ons liefdesleven heeft genomen verrukt het geheim.
Toch vraag ik mij af: waarom duren zulke ontdekkingen zo lang?

Nu

Zogenaamd wild, 2009, bewerkte foto

2009_zogenaamd wild_bfk

De kamer

Ziehier een man. Ziehier een verlaten ziel, als een ieder.
Het zeldzaam goede van dit moment blijft onopgemerkt, ondanks
iedere opmerkzaamheid.
Wat hier gebeurt is heel duurzaam en raakt nooit uitgedoofd.
Misschien is dat vrij staren in de verte wel het mooiste nul-moment
van je leven. Misschien is dat het moment dat je hersens zich gaan
hergroeperen, dan wordt alles wat niet meer van toepassing is
voor altijd verwijderd. Niet meer bereikbaar, ergens diep en te ver
weggestopt voor bangere dagen, zal het je niet langer meer plagen.
Deze man heeft even geen wolfshonger, hij strijkt zijn geschapen
lichaam glibberig glad. Een miezerig bootje voert al zijn gedachten
weg in een wellustige oceaan en alles komt goed!
De vlezige kleur van de hemel maakt alvast de nomade van de
liefde wakker.
Ziehier een starende man. Hij is getuige van het onverholene.
Later zal hij er over vertellen. Niet nu. Zijn stem is niet levend.
Nu blijft nog even nu. Daarna is alles zogenaamd wild.

Terugkeer

Zitleunend figuur, 2014, bewerkte foto

2014_zitleunend figuur_bf

Half droom, half waak

iemand slaapt zich in een lichaam
en droomt dat het een lust  wordt om te zien

(uit het gedicht: De terugkeer van het lichaam, Van Batelaeres)

Dit klinkt wat sneu of te serieus. Het heeft iets van een vallende
vlinder. Er is iets weggeglipt. De totale macht is tijdelijk verdwenen.
Dat is waarschijnlijk ook het goede eraan.
Hij droomde vast van een vrije vlinder, maar werd al fladderend
voortvluchtig. Sneu als het zo hoopvol begint. En dan weet je bij
het wakker worden even niet of jij nu de mens was die zich als
vlinder had gedroomd, of een vlinder die zich als mens droomde.
Van die dingen, je kent het wel.
Ergens tussenbeide ligt waarschijnlijk de waarheid.
De metamorfose is dat wat de scheidslijn overschrijdt.
En voor wie niet meteen gelooft dat hier vlinders in het spel zijn,
zij gezegd dat zij het hele gedicht maar moeten lezen. Dan zien ze
gelijk al in de opening  de verwijzingen naar een bloemenwei en een
boomgaard. Daar is het goed vertoeven. Volop bloei.
Dus het valt ergens ook best mee met dat sneue gevoel.
’t Is maar net waar je je op richt in je droom of waak.

Loopje

Verkeerd moment, 2008, tekening, A4

2008_verkeerd moment_k

Vreemde wandeling

Hij bladerde wat in een zwart gekartonneerd schrift met linnen rug.
In stijve, keurige blokletters stond op het gelinieerd papier:

staand lopen
met gesloten ogen
het strottenhoofd stamelt
bewegingloos
vluchtende vliegen vonken
het bos brandt
alle kleur is weg
de natuur hoort zwart-wit te zijn
totdat de wekker rinkelt
de ware werkelijkheid
is halleluja anders

Sinds zijn tiende schreef hij alle dromen al op. Het was zijn tweede
ik geworden. Zonder dromen viel er niet te leven.
Hij tuurde net iets te lang in de spiegel. Zijn zware wenkbrauwen
gingen ervan omhoog. Wederom dacht hij aan zijn mooiste kinder-
tijd, toen alle woorden nog nieuw waren. Je legde daardoor de
vreemdste verbanden.
Zo had hij wenkbrauwen altijd als wekbrauwen verstaan. Die waren
er om je na de slaap wakker te maken, ze wekten je brauwen. Geen
idee wat die brauwen eigenlijk waren. Vast iets heel nuttigs.
Morgenavond droom ik weer verder – zei hij hard op in de spiegel.
Hij kon zichzelf flink overtuigen en verheugde zich nu al op zijn zwart
wit loopje.

Dood

Omzien (EGO), 2005, boek 87, pagina 87

2005_omzien_87_ego_k

Kijken wat jullie dan zeggen

Iemand ging vijf jaar geleden zomaar dood. Nou ja, zomaar is niet
juist: hij kreeg een gevaarlijke ziekte en stierf vrij kort daarna.
Hij heeft zich niet meer verzet in dat laatste licht van de schemering.
Volgens eigen zeggen was het de wil van God. Klaar!
Toen de dag neerdaalde over de dag van gisteren werd hij een vage
schemering in onze herinnering.
Iedere morgen kwam hem voortaan onbekend voor. Hij was vanuit
het leven legende geworden. Zijn leven zag er nu iedere dag steeds
hetzelfde uit en het mooie was dat hij zich ongemerkt kon verplaat-
sen. Hij sprong van hoofd tot hoofd. Voerde zachte gesprekken.
En als je je dan beklaagde over het geluid, dat het nog steeds te
zacht was om te verstaan en hoe kan dat? zei hij gewoon dat het
aan de verbinding lag. Harder praten was geen optie. Het lag aan
jou.
Zelf heb ik die schemering een aantal keren van dichtbij meege-
maakt. Mijn ogen konden het niet vatten, dat laatste licht, dus
vocht ik terug. Liever bepaal ik zelf het moment van gaan en dat
is niet nu.
Later, na 2041, heb ik er misschien de tijd voor.
Nu wil ik eerst nog een aantal keren vurig vlammen.

Vuur

Roepende (in het bos), 1996, tekening, A4

1996_roepende_k

Elke dag is nieuw

Elke dag breken harten.
Elke dag komt de zon op.
Daar zou je een goed gevoel van kunnen krijgen, maar als je mobiel
geen bereik heeft piep je wel anders. Dan komt de toekomst niet
meer vooruit. Schijnt.
Mensen die daar last van hebben heb ik al eerder gezien, die zagen
het vuur ook niet vanzelf branden. Het vuur belichtte een andere
tijd. Het slikte met zijn vurige, hongerige tong alles in van wat we
net hadden opgeschreven.
Als ronde wereldburger is mijn honger niet te stillen.
Ik blijf maar creëren om de as van de eeuwigheid.
Dat vuur wil niet doven maar zaaien. Dat vuur is vuur.
Dat vuur is een werk zonder titel, het duwt je omhoog om je daarna
weer naar beneden te laten rollen.
Elke dag opnieuw.

Lief

Belicht doek, 2014, bewerkte foto

2014_belicht doek_bf

Hoe een donkere kamer licht werd

In de donkere kamer van het Morgenland leek het net alsof je met
je lippen de lucht kon vernielen als je lachte. Dat had ik nog nooit
van je gezien. Het ontroerde me.
Ook dat je daarna met je glanzende lichaam alles weer dansend
opbouwde. Geweldig! Het maakte het huis als een tastbare gelijke-
nis met kathedrale orgels. Iedere stoel bezat fluitende pijpen. Alles
borrelde uit de vette vloer. De melodie ging veel verder dan een
grote, gore wind.
Jij stofte mijn huis af zoals het regelmatig moet, zoals het ook hier
en daar moet blijven tochten voor verse frommel fraaiigheid.
Je nam achteloos mijn benauwende dwanggedachten mee, die ik
eigenlijk zelf had moeten opruimen voor je kwam. Ik hoefde je niet
eens te smeken. Je bent lief.
En nu denk ik dat de boze Beethovenblik van mijn gezicht af is.
Hoe kreeg je dat toch voor elkaar? Heb je een geel doekje voor die
pruillip?
Hoe dan ook, ik ben je dankbaar dat ik nu niet langdurig naar een
sanatorium hoef en dat mijn lijf niet meer in de achteruitstand staat.
Een klein hart heeft veel vrees en hoort in een klein lijf. Jij wist dat
mijn hart van een onmetelijke stad houdt en niet bang is voor het
bibberend gepeupel. Jij maakte mij weer geschikt voor de wereld.
Als een architect zonder planvrees laat ik nu de dromer hardop mee-
denken in een begrijpbare logica. Heimelijke wensen bestaan niet
meer. Alles is toelaatbaar in de bundels van het nieuwe licht.