Mooi

Alles = Oeuvre, 2008, tekening, A4

2008_oeuvre-alles_k

Schoonheid (via Pablo Neruda, vrij vertaald)

Mijn lelijkerd, wat ben je toch mooi kastanje ongekamd.
Je schoonheid is prachtig verward in de wind.
Je mond staat in volle ontevredenheid, dat zie ik graag. Je denkt
een schoonheid te bezitten, maar die is er niet. Echt niet, ondanks
je frisse vruchten-kussen.
Mijn lelijkerd, met je verborgen borsten, die minuscuul zijn als
twee bekers rijst. Wanneer wordt het nog wat? Ik wil torens van
jouw soevereiniteit!
Mijn lelijkerd, alle rimpels in je voorhoofd vragen om een nacht
zonder licht. Je weke taille is niet van goud. Je lijf ribbelt als een
stijf stuk strand nadat een wilde zee even langs is geweest.
Weet je nog dat toen het ovarium liefhebbend smachtte, jij de dans
ontsprong door je niet-zijn?
Ach, al het zweet met verlangen hijgt me nog steeds na. Waar blijft
de zee van omhelzing? Mijn levende bliksem, mijn stoot van de
gloeiende kool, werd nooit volledig ontladen.
Mijn lelijkerd, ik ken je macht.
Dus als ik sterf doe dan jouw handen op mijn ogen. Strijk je frisheid
nog één keer langs mijn gezicht. Ik wil dat je blijft leven om de zee
te ruiken die ons beider zo lief is.
Blijf daarom in bloei, lelijkerd van me.
Bedenk dat later mijn schaduw door je haren zal wandelen.

Open handen

Suzanne, 2014, computertekening

2014_suzanne_ctk

Maannacht

Zelfs in een tuin vol puin mag het hart niet hard zijn.
Geef de stenen alle tijd, terwijl elke gedachte een aanblik is. Een
aandenken nadert. Je ontwakende ogen mogen nu genieten.
En als de handen open gaan bij volle maan, drijven zij een bloem
naar de dag. Dat is ook zo’n mooi, lang moment. Het is zichtbaar
voor de geletterde nacht.
In de diepte en onder grote zwijgzaamheid rusten je overbodige
ogen uit. Daar is de nacht voor. Als het stijfsterre licht schijnt, dan
verheft de ronde maan zich. Je zou nu kunnen gaan liggen op de
nacht. De nacht is zo dik dat je er om moet lachen. Niet hardop,
maar voorzichtig, tevreden binnensmonds. Grote geluiden zijn voor
de lichte dag. Het bijna zonnige gezicht van de verschrikte sterren
laat zich opnieuw kussen door de maan.
En als de zon weer gaat schijnen ruik ik de sterren nog steeds.
Het kan ook zijn dat dat door een meisje komt, zij heeft bloemen
rondom de mond. Zij is nog jong en weet niets van een oud
verhaal. Haar bliksem moet nog uitzweten.

Levende steen

Vijvervrouw (lezing), 2005, bewerkte foto

2005_lezing Vijvervrouw_bfk

Ondertussen

Soms zie ik traag, ’s ochtends, mijn eigen stilstand in de lucht.
Tussen het haastig trillen van het licht verschijn ik bedrieglijk als
een fantoom van spiegels. Dan weet ik nauwelijks wie ik ben.
Mijn eigen lichaam, vol geduld en ongeduld, roteert als wilde wind
om de ronde aarde.
Meestal ga ik daarvan zwerven.
Soms is het onderling donker, daar moet je je niets van aantrekken.
De groene, grote wijze wereld kust mij sidderend met zijn gevaarlijke
lippen. Met alle geleidelijke ogenblikken verbijt ik daarna het begin
en het einde. Er ontsnappen veel a’s en o’s tussen mijn ja en nee.
Op mijn best bedenk ik dat het altijd gaat om het vertrek. Niet om
het stuk daarna.
In het oorverdovend licht moet je je vleugels durven uitslaan.
Zwaaiend roep je dan dat je er aankomt. Bloemen zullen je geurig
begroeten. Soms vraag je je af waar de warme oren van je eiland
zijn gebleven.
Doe dat niet! Zoeken heeft helemaal geen zin.
De aarde is in alle eerlijkheid meesterlijk gebeeldhouwd. Het wentelt
en streelt de hand van de meester. Ik woon daar. Zo is het begonnen.
Zo wandelt het vreemde in onze ogen. Het maakt ons blij.
Later kun je dan met gemak sterven als een levende steen.

Zonziek

Nachtdenker, 2014, computertekening

2014_nachtdenker_ctk

Publiekelijk verval

De kijkers buigen hun zwanenhalzen over je gevleugelde oerdrift.
Hun ledematen staan strak gespannen, zij denken dat hun leven er
vanaf hangt.
Dat is natuurlijk niet waar, zo heb je het nooit bedoeld, jij schilderde
als een moordenaar onder het moorden. Jij was sneller dan terloops.
Uit alle knagende elementen leest men goedgelovig troost. Ik denk
dat men, in dit geval, met gemak kei en kiezel slikt als krenten.
Steeds groter wordt je echoput, die allang versteende stemmen laat
horen. Gestileerde zuchten en kreten kennen geen tijd.
De wind, de trouwe Hollandse wind, verfde je ogen tot spitse felle
vlaggen, je gaf je over, werd zonziek.
Soms zie ik je benen bengelen uit verre wolken, op dat moment
gaan de honden huilen als teken van groot gemis. Stel je nu eens
voor dat je was blijven leven, wat was er dan van Picasso terecht
gekomen? Een kakelend ei, dwalend naar een hemelse bode?
Hoe dan ook je verveelt je vast niet. Waarom zou je?
Toevallig zag ik vaak je geest in het licht blinken.
Je bent groter dan een oceaan in deze mislukte eeuwigheid.
Je wist: alles ziet er binnen anders uit dan van buiten.

Kurkkop

De beperking van het beest, 1986, tekening, A4

1986_de beperking v h beest m

Dronken loopje

In mijn hoofd gaat een waterval. Mijn hart wordt nat. Als een
volle spons pompt hij mijn bestaan rond. Ik heb de hoofdrol
in mijn eigen verwilderde oplossing. Geef me over aan de
drank.
Bijna ging ik wankelen, maar mijnheer, ik ben nu een engel
die zich niet verveelt in deze eeuw. Mijn leven is niet langer
onvolledig. Ik heb mezelf lief en wens al het geluk van de we-
reld te bezitten. Alleen oprechte mensen verdienen dat.
Is mijn derde ikzelf wel een zelf? Het is een zelfportret zegt
de fotograaf. Ik geloof hem niet. Foto’s liegen wel.
De stilte kan mij nu niet vangen. Mijn waterval lijkt meer op
een zondvloed. Ik moet voorzichtig manoeuvreren. Stroom op-
en afwaartse verlangens liggen op de loer. Ze moeten hier in het
donker, altijd met de buik naar boven, ergens liggen.
Wees verstandig en houd je vast aan de leuning. Ik wil niet
bedrogen worden, zeker niet door mezelf.
Mijn hoofd noteert negen glazen mist, ik vernevel langzaam.
Val tenslotte tussen je koninklijke borsten, je meisjes bloesems,
en knaag zalig aan je hart. Jij fluistert een geneuried ei en sluit
mijn rode ogen zacht. Ik ga de nacht in, ben weg.
Nu ben ik het wrakhout in de golven.
Mijn heerlijkheid heeft het einde gezien en rust even uit.

Simpel

Verbleekte herinnering, 1996, schets

MINOLTA DIGITAL CAMERA

De zwemmer

Iemand bestond zoals iedereen voor een groot gedeelte uit water.
Daardoor was het begrip zinken of verdrinken totaal afwezig. Hij voelde zich
vooral een vis in het water. Het meest wezenlijke aan hem was dan ook het
fictieve. Hij leeft in fantasietaal, verlangt bij voorbaat naar het land Domani,
waar echte liefde en ijsjes snel in de zon versmelten.
Geen schijn van kans zullen de pessimisten zeggen, maar hij zwemt niets
wetend rustig door. Het water lust hem onverholen rauw. Als je blijft drijven
komt het wezenlijke en wenselijke vanzelf, is zijn devies. Eigen geloof eerst!
Je voelt aan het water dat het goed voor je is.
Dromen zijn simpel omdat ze gebeuren. Tenminste als je jezelf goed belicht
met een groot aantal sfeervolle schemerlampjes. Niemand droomt vanuit een
weten, als je droomt ben je buiten de tijd.
Weten is tijd. Tijd is jachtig hinkelen, huichelen.
Dromen is gymnastiek voor de geest.

Ogenkost

Expo, 2000, tekening boek 73, pagina 69

2000_b73_BB_p69

Beschaving

Vreemd: van mijn ogen zeiden ze dat het mijn ogen waren.
Ik werd eraan herkend. Kun je dan de ogen van een ander
hebben? Is er een ruilbeurs?
Moet je je ergeren aan zo’n opmerking?
Ik denk het niet, men is alleen wat verdwaald in het zwarte
vlak. Men staart naar een eigen voet, waarin net is geschoten.
Het pijnlijk dolen wordt beleefd van regel tot regel. De vrije
val is ver weg. Laat staan de zelfverdwijning, die wordt gewurgd
door het dichterlijk spreken. Te dichterlijk was het woord wat ik
sprak en werd daardoor niet gesnapt.
Elk woord wat ik er nu aan besteed is alleen aan mij besteed.
Voor een ander blijft het vage fictie. Mijn ik lijkt ontvreemdend
te werken vermoed ik. Misschien moet ik een gedicht gaan
schrijven met een half cryptische titel: aan mijn vrienden die ik
niet wil vernoemen…
Dat is net zoiets als van mijn ogen zei men dat het mijn ogen
waren. Zelfs de spiegel van de ziel kan hier niets mee. Ze voelt
zich kaal en anoniem.
We moeten dus maar tastenderwijs bestaan.
Wachten in de ruimte, die misschien het hart mag heten.
Het hart heeft tenslotte zijn eigen taal. Het hart is zichzelf.
Zij spreekt scheppend.

Kind

Daddy’s Girl Too, 2001, bewerkte foto

2001_Daddy's Girl Too_bf

Kindhoogte

In wezen maken we vaak een portret van ons verlangen.
Het gemiste krijgt zo even zijn beeld. Er verschijnt iets wat
we willen zien. Soms zien we een denkbeeldig einde van de
wereld: de horizon. We lopen er op af voor een groet en een
vraag. Alles op ooghoogte natuurlijk. Je groeit met je vraag
mee.
We staan stil bij een toekomstig einde en wie weet is er echt
meer tussen hemel en aarde en zijn het de vrije vogels die
ons alvast begroeten.
Is die zekere grauwe grijsheid rondom een zekere restwaarde
van alle onduidelijkheden?
Er heerst een verwaaide mist in een groot vermoeden.
Vroeger was het toegestaan schimmen te zien. Meestal waren
het kleine witte vrouwtjes. Vaak wakend bij bronnen. Men be-
weert dat het oude wezens zijn die dolend terugkeren op de
aarde.
Hier op het platte zand verstuiven alle tekens. Zelfs de horizon
verdwijnt tenslotte totaal, weggelekt als de ondergaande zon.
Ik loop alleen terug naar Veronica en droog na een bad mijn
zilte, natte kop. Voel me klein.
Op de handdoek verschijnt een afdruk van een kinderkop.
Veronica = vera icon = het ware beeld en dat ben ik.
Nou ja ik, de altijd aanwezige ik van mijn kindertijd dan.

Dichter

Nachthand, 2012, bewerkte foto

2012_Nachthand_bf

De dichter leeft de dichter

wat ook maar leeft is helder
de duisternis laat schimmen dolen
een dichter denkt niet
een dichter voelt

pendelend tussen mens en schimmen
één met al zijn scheppingsdrift
verheft de taal hem hoog, hoog, hoog
de sleutel is snel omgedraaid
en beschermd een handvol water
dat moet genoeg zijn

wat je ook maar dicht is helder
het hele jaar wordt niets gesnoeid
een dichter denkt niet
een dichter doet

sterren spatten wit en geel gemengd
de mooiste bloemen ruiken sierlijk schoon
mijn kippenvel verandert in schubben
mijn neus is te koud voor eeuwig leven
zelf in de brander voel ik geen warmte meer
hoe dikwijls ik het vage vuurtje oppor

wat je soms in je vingers voelt
is niets meer dan verbrand houtskool
een dichter is soms iets, is soms alles
het lijkt het leven wel

Tijdelijk mooi

Rustende kop, 2012, bewerkte foto

2012_rustende kop_bf

Over mooi

Het mooiste ogenblik is grenzeloos, als een constant openbarstende bloem.
Vaak lukt het haar dit geluks-punt te vinden en op te rekken tot het volslagen
tijdloze.  Ze weet natuurlijk wel dat het bij uitstek juist tijdelijk is en dat er
ook onbereikbare dagen zijn.
Op onbereikbare dagen wordt het ogenblik snel nagekeken door het rood
van de wangen. Het bloost zich zo een schaamtevolle weg. Het lichaam laat
zich van zijn meest lullige kant zien en speelt eigen rechter.
Het mooie is dan dat de natuur een biggeltraan laat vallen in de tuin, waar
op vooral de merels actief reageren. Ze zingen zich de longen uit hun bek.
Vogels hebben ook hun mooie momenten. Vaak ’s ochtends.
Op dit mooiste ogenblik ziet ze even niets zolang ze wegdenkt.
Ze weet niet of het een vorm van ijdelheid of echtheid is. In elk geval speelt
ze haar eigen hoofdrol. Ze herkent alles driedubbel en helder. De langgerekte
momenten spiegelen het verleden genadeloos terug.
Ze weet niet of het kunst of echt is. Zeker tijdelijk mooi.
Dan zal het wel kunst zijn.