Doler

Niet mijzelf, 2015, computertekening2015_Niet mijzelf_ctk

Hoofd

Hij was een droommens, een doler. De werkelijke werkelijkheid
was hem niet groot genoeg. Veel te saai.
En als hij geen droommens was, was hij vaak een engel in verval.
Zijn overbeladen kop verbleekte vaalwit door oplopende inspanning.
De afgrond voelde niet alleen dichtbij, maar wàs ook dichtbij.
Best eng.
Daarbij hingen de wolken als wolven boven de gebraden bergen.
Je moest echt leeuwenogen hebben om niet stekeblind te worden
door het lage, valse gebedelde licht. Onafwendbare orkanen hoorde
je verbazingwekkend snel aanvliegen. Dan is er echt geen tijd voor
geneugten in de toekomst. Je staat op springen en je slechtste masker
jubelt in extase.
Op zo’n moment wilde hij zich het liefst in laten sneeuwen. Al was het
alleen maar om wat af te koelen. Waarschijnlijk zou zijn overproductie
aan koel koud wit de verse sneeuw laten smelten om vervolgens als
roofzuchtige rivieren de aarde kaal te spoelen.
Zijn leven was best zwaar, tenminste zo zag hij het zelf.
Anderen vonden hem meer een weerzinwekkende vlinder zonder
vastigheid en lieten, waar mogelijk, hun baard groeien. Zo dachten
ze hun stemband uit te wissen.
Een mottige spiegel wist wel beter.

Stilzwijgen

Wachter, 2015, computertekening

2015_wachter_ctk

De kijkers

Zijn beroep is stilzwijgen. Wel zo handig op deze plaats.
Maar er komt een dag dat hij de wereld zal verstillen. Als men hem
echt ontdekt, dat doodgewone joch van de straat, dan zal alles in
een brede omgeving gaan veranderen. Wie weet wordt men blind.
Voorlopig ziet het er niet naar uit.
Hij geeft zich niet. Hij verschuilt zich. Wij mogen/moeten raden.
Alleen hij weet van zijn gave: hij heeft een diep troostende hand.
Niet dat hij er iets mee doet. Het is zijn bezit.
Wat doe je met zo’n stille knaap?
Die geef je een zaklantaarn in de vorm van een gloeiende roos.
Daar zal hij vast blij mee zijn. Denk ik.
Ondertussen zou hij het als nachtdier goed kunnen gebruiken, dat
is zeker. De nacht is mooi en geeft veel geheim.
Wie weet struikelt hij niet langer meer over de liefdespaartjes in de
bioscoop. Bij zicht stapt hij er gewoon overheen. Hij is de navigator
van de nacht.
Ver weg van die dromers uit het publiek zoekt hij zijn eigen lege stoel
en houdt zijn handen thuis. Een lichtstraal van de operateur zou zijn
stoffelijkheid kunnen verschroeien.
Er komen nog meer bezoekers, hij scheurt de kaartjes zwijgend af.
Zijn beroep is stilzwijgen.
Ondertussen wacht de hond.

Offer

Eerst het oog, 2006, schets

2006_eerst het oog_k

Land van raar

Hier wonen de stoffige mensen die denken dat ze dagen woest zijn.
Zij dromen van de grootste dagen, leven in waanland en laten de
mensen die op pad zijn passeren.
Ik leef, schrijf en zie dat ze zich regelmatig lam drinken. Mijn oog
ziet eerst, daarna denk ik pas. Ik zie dat de oude vrouwtjes, die
Gods uitverkoren Volk waren offers moesten brengen van Het Bloed
van de Lam, maar ze hadden geen lam, dus vermoordden ze een
prachtige witte kat. Het had geen enkel effect, ze hadden beter zich
zelf kunnen offeren, ze stonden toch al met één been in hun graf.
Om de hoek woonde een vrouw met haar dikke roze borsten, die ze
regelmatig aanbood in ruil voor een sigaret (liever twee, ik heb ook
twee borsten).
Hier zijn de mensen meestal los van de grond en hebben geen per-
soneel. Ze lachen veel, spugen in het bier.
Al die zonderlingen, vreemden en mooien houden niet van parfum.
De wereld ruikt zo al mooi genoeg. Deze mensen leven in het stof,
zijn al half vergaan in wezen. Zij schrijven zelfmoordbriefjes, maar
doen niets voor het gebroken hart. Zij zijn te moe voor alles.
Alles droomt zich hier een slappe weg.

Dood werk

Nieuw werk, 2013, boek 108, pagina 552013_b108_p55_nieuw werk_k

Koude kunst

Zij hoort hoe zij leegloopt op het doek. Een nieuw werk groeit.
De innerlijke stemmen praten voluit, alle deuren staan open. Zij
ademt diep en inhaleert de gelukkig makende lucht van acryl. Zij
moet er van zuchten. Binnen een week moet de opdracht klaar zijn,
liefst vandaag nog. Er is eigenlijk nog niets.
Je moet het wetenschappelijk benaderen, zei een vroegere docent
eens. Doe alsof het een scriptie is, als je niet weet wat je gaat doen
gebeurt er niets. Formuleer een thema, vraag je af wat je er mee
wilt en  bedenk hoe je je doel kunt bereiken. Maak een tijdsplanning.
Dat is alles.
Dat er dan dode werken ontstaan had hij niet door. Veel docenten
zijn beperkt, rommelen wat aan, willen niet groeien omdat ze alles
al weten.
Het is warm in het atelier. De kachel snort. Een bovenbuurman loopt
heen en weer over een krakende vloer. Hij is aan het darten. Dat
lijkt haar ook wel wat. Nergens anders aan denken dan pijltjes
gooien. De hele dag door. Zijn bestaan heeft tenminste zin. Hij ver-
dient er zijn brood mee.
De avonden zijn het moeilijkst, vindt ze.
Overdag is overal afleiding.
Dan komt haar zus langs om te zeggen dat ze er meteen weer
vandoor moet…sorry hoor…
De zus zegt dat ze het leven niet zo ernstig moet nemen.
Haar opdracht is nog diezelfde dag klaar.
De titel is een vondst: Ik glas breekbaarder dan een man.
Ze glimlacht er lief bij.

Heimwee

Do not cross, 2013, boek 110, pagina 25

2013_b110_p25_do not cross_k

De streep streept

Iemand had heimwee naar zichzelf. Dat kan als je even aan de
werkelijkheid ontsnapt bent. Hij bedreigde zichzelf of zoiets was
in wording. De locatie was bekend, er was al een streep getrokken.
Aan de andere kant lag het niet weten en daar wil je niet zijn. De
streep streept je zomaar weg.
Het werd dus een volle boel aan de ene kant van de streep. Velen
vonden tot daar de weg. Het niet weten was voelbaar, werd zicht-
baar. Er werd licht geduwd. Men vloekte hier en daar.
Daarna kwam uit het niets de rust, misschien getild door een
smachtende eenzaamheid. Alle zonbestoven sterren gaven een
veelbelovend teken, één voor één. Heel wonderbaarlijk, heel
mooi.
Hij voelde zich een tussenstandsjongen.
De heimwee was gelijk weg.

Verlichting

Nachtbos, 2015, bewerkte foto

2015_nachtbos_bf

Roddel

Groot en leeg, de bomen stijf op rij, is daar het bos. Zij wacht op
de complete duisternis, als al het licht is ingepakt. Als alles zwart
is ben ik er nog steeds, denkt ze.
Haar buikje rondt al wat, beginzwangerschap. Dag niet-weet-kindje,
zegt ze zacht en aait zachtjes over haar bolling. Zij heeft gehuild
over de goedheid van het nieuwe leven en probeerde iedere nacht
een ander leven voor te stellen. Nooit meer alleen!
En de vader?
De vader is elders.
Hij denkt met veel weemoed iedere ochtend aan de thee. Hij trekt
zijn schoenen uit, doet zijn voeten onder zijn gat.
Tussen de latten van de stoel klaagt zijn enkel, nauw bepaald. Hij
duwt het weer goed of beter en ziet in de verte een kletspraat voorbij
komen. Men roddelt door hem. Wie denkt verliest, wie doet is kwijt.
Hij wist niet dat hij droomde, hij vocht zich overal vandaan. Heel
vermoeiend. Tijd voor meer verlichting.

Lief

No Girl, 2015, bewerkte foto

2015_No Girl_bf

Wat wil je

ik wil dat jij leeft
terwijl ik slapend wacht
ik wil dat je weet
dat ik je lief had
boven alles

mijn schaduw wandelt
voor altijd in je haren
niemand kent de grond
zo goed als mijn stem

dring mij binnen met
je nachtelijke ogen
laat me varen in je tunnel
spreek in letters van
het helende hart

mijn rimpels
mijn hoofd
ik wil dat je weet
dat ik je lief had
en heb

Zielloos

Beginnend doek, 2013, bewerkte foto

2014_beginnend doek_bf

Nieuw werk

zijn beeltenis
op de slapheid
van het doek
kijk, hij kijkt

als je langer kijkt
begint de kop
als inkt te lekken
kijk, hij lekt

nekje recht
ogen open
alle rimpelplooien
kleuren het sentiment
kijk, niet te lang

maak je los
van de schemer
tussen de brede lach
rust de weggedoken kop

als de tijd is weggesneden
is het hoofd zielloos

Murmel

Nap, 2013, tekening boek 109, pagina 51

2013_b109_p51_nap_k

In het hoofd, uit het hoofd

Het gebaar van afscheid murmelde wat.
Adieu.
Murmelen heeft iets te doen met het geluid van de vage wind.
Soms lijkt het ook wel wat op het ketsen van langs elkaar schuren
de bakstenen. Een mooi zacht geluid. Aangenaam.
Het geluid bleef
lange tijd in mijn hoofd zitten.

De zomer is heet en laat de lucht trillen. Er ontstaat een onduidelijk
landschap. De aarde ademt heet.
In de verte hoor je de hoge, schrille stemmetjes, kreetjes van
spelende kinderen. Ze bewegen hun tongetjes in hun mondjes en
leggen de woorden op onze weg.

Ik glimlach. Voel me veilig.
Vannacht zal ik vast witte schimmen zien.
Het is toegestaan. De natuur wil. Er zullen kleine witte vrouwen of
meisjes zijn. Ze gaan me in de nacht vergezellen tot het slechts
onmogelijke vouwen zijn in mijn lakens.
Was het maar nacht, dan kon
hij in het hoofd uit het hoofd doen.
Alles blijft, alles is goed, niets
gaat verloren.
Denk je.
Maar het wordt hooguit een geheim. Meer niet.

Je naait in het donker je eigen masker, haakt je afweerkleed.

Soms lijkt het dat je steelt uit je eigen bagage. En dat mag, want
het is allemaal van je alledaagse jou.

Dan komt een kolossale geest je pakken en slaat je met een stok
op je kop.
Je slaap droomt verder.

Lust

Na de nacht, 2000, tekening boek 72, pagina 82

2000_b72_na de nacht_p82_k

Later

Later, laten we zeggen over duizend jaar rijs ik als gras uit de grond.
Dat moet een geweldig moment zijn zo vanuit de traditie van het
hemelse: enkel en alleen de zon te aanbidden, hopen op wat regel-
matig vocht.
Maar ja, het is nu en nog lang niet later. Nu moet iedereen oppassen
voor deze oude heiden. Ik kan gewelddadig zijn als het moet. Ik kan
best duister zijn, als mijn buik vol bittere verhalen zit.
Als schrijver, die op de drempel van zijn zeventigste jaar begrepen
heeft dat de zogenaamde werkelijke wereld om ons heen al genoeg
dood is, schrijf ik niet over droefenis en vernietiging. Dat komt in mijn
proza niet voor. Geef mij maar de romantische heldenmoed die ikzelf
te weinig bezit.
Ondertussen lust zich het leven voort.