Jazz

Lege kop, 2015, computertekening

2015_lege kop_ct

Verschijning

Wij hebben een verse verfverschijning. Zij ligt ergens in de wereld,
in een groene zee.
Het vreemde is dat die verfverschijning rond middernacht duidelijker
wordt, ze kan zelfs doorschijnend worden, die verschijning. Dan pas
zie je ook dat ergens in het midden een kop verscholen zit. Daaronder
vermoed je een groot gestalte.
Iedereen kan het waarnemen, je hoeft niet eerst uit je graf op te staan.
Ik moet trouwens bekennen dat ik met haar omga. Ik behang haar,
want het is duidelijk een haar, met attributen en overlaad haar met
troetelwoordjes. Ze lust er wel pap van, ze gaat wild schuimen van
plezier.
Als ik de verschijning roep komt ze nooit direct, zij krult over de bodem
van de zee en dat gaat niet snel. Daarna doet ze eerst alsof ze me niet
kent, maar daar trap ik niet in, ik ken haar onderliggende honger, laat
haar ogen snel schitteren. De zee wil dan nog wel eens gaan fosfor
oplichten. Dat zijn de mooiste momenten, ik zie het als een groot com-
pliment: ik wordt gehoord.
Laatst hoorde ik haar duidelijk zeggen: P.S. I love you…..
Ze houdt kennelijk van jazz.
Ik ook.

Gevoel

Zware berg, 2006, schets

2006_zware berg

Soort brief

Het is waar, ik heb je lang, lang niet geschreven. Veel nieuws is
inmiddels waarschijnlijk oud nieuws geworden. Ik ben wat ouder
geworden, maar niet ouder dan mijn mededelingen.
Ooit was ik zo licht van jou dat ik ging zweven. Als jongen heb je
dat graag, nu houd ik liever mijn beide voeten op de grond, de
schrik zit nog in de benen.
Ik mis je, jij mij hopelijk ook, bij het uur van slapen gaan.
Het welterusten zeggen is een stilleven geworden. Stilleven is nu
stil even. Alle wijsheid ligt onder een dikke deken.
Het besef dat ik leef en niet droom, wil ik met je delen. Is dat wat?
In de dubieuze intimiteit mogen wij best naakt lopen, lijkt me.
Ik gun het ons. De afkeurende, meewarige glimlachen van anderen
doen me niets. Het maakt hun domheid alleen maar groter.
We zaten aan een eindeloze tafel, aten eindeloze taart. Ineens was
die taart op. We zagen onszelf gekauwd en gegeten door een grote,
gulzige, sponzige mond.
En nu is het deeg binnen en we weten niet meer wat buiten gebeurd.
Nostalgische vraatzucht bederft alles. Ook aan de eens eindeloze
tafel.
Vredig zijn de definitieve daden, zeggen ze, maar ik voel me opnieuw
geboren en weet nog niet wat vredig is. Ik leef in het glanzend groen,
waar het licht nog knakt. Mijn stam is nog steeds hetzelfde, ook al
zijn mijn bladeren niet meer van hetzelfde oude.
Ergens aan het eind knaagt en knabbelt het leven zijn weg.
Dat wilde ik je even laten weten op deze waai-zondagmiddag,
maar je wist het al, je had het al gevoeld.

Vervreemding

Ziekenhuisschets, 2015, schets

2015_ziekenhuisschets_k

De gedachte loopt

Ik draai triomfantelijk een hoek om, op naar het verre volgende
stuk en verscheur alle entreebewijzen, ik ben er immers al.
De sneue snippers dalen als zieke duiven, krullen op van heimwee.
Ik sluit mijn ogen, loop automatisch, een blinde weet de weg altijd.
Onderweg stapt de herinnering vaak in. Ik zie iets en verdwijn in de
spiegel.
Verderop kom ik, steeds verderop en mijn lijf heeft zich helemaal
met mij verzoend. Voor even en dat is genoeg. De wind slaat om
mijn oren. Dit is een mooie ademtocht die me doet leven, regels
worden afgelegd. Zon en wind, het wist de ogen open. Het maakt
je zo anders, zo intens vrij.
Ineens word ik staande gehouden door een vrouw. Zij legt eerst
haar rechter vinger voor haar lippen, het teken van stilte gebiedt.
Dan zegt ze uit het niets: Adem in wat er is, sla het gras van je
broek, adem uit in de stad, zo woon je waar je bent…
Snel loop ik door, ik kan er niets mee. De vrouw tikt nog met de
zelfde vinger tegen haar voorhoofd, laat daarbij haar ogen rollen
en wandelt luid mopperend verder. Alle mannen zijn gek of deugen
niet, staat op haar lijf geschreven. Ze is zo stijf als een plank van
de opgelopen stress.
Vol vervreemding ga ik op zij, zet mijn eigen innerlijk weer aan,
voel alle eigenschappen. Daarna maak ik mij los van mijzelf en ga
er vandoor als een bijzondere bijzin.
Niets groeit op mijn rug, er is geen grond.
Mijn heden rinkelt om mijn lendenen tot mijn hoofd eindelijk iets
anders verzint.
Een zuster schudt me wakker. Het is echt. Ik lig in het ziekenhuis,
niet te verwarren met het zielenhuis.

Rimpels

Vaarwel, 2013, schets

2013_vaarwel_k

Gefluister

een nieuwe avond fluistert door mijn tuin, ik luister
het idee is de grootste leugenaar, dat weet je
je werk spiegelt als een roestige munt in het water
piepende oksels verraden angst

iemand sloeg het anker van zijn ego
vuur is lief, kan lief zijn
na glansrijke tranen ben je terug op aarde

morgen ben ik een ander mens
het spannendste moment bleef in de mouw hangen
een ondergaande zon, dat ben ik
man van het aaien en weer laten gaan

kus kus, dag dag, zwaai zwaai
toen de schreeuw nog een echo was
er is nog meer licht tussen mijn oren

mijn spannende spieren lieten mij niet slapen
oude ogen zijn verhalende rimpels
sommige zinnen hangen in de helhete zon
alles tegen alles, omdat niets beter is

verval van de dag, zo was het, zo is het

Losser

Verpleegster, 2015, computertekening

2015_verpleegster_ct

Dubbelleven

Er was iets met haar. Je zag dat ze iets verloren had en flink deed.
Het werd voor het eerst zichtbaar bij de lijn van haar kaak.
Haar kaak reikte verder dan ooit. Iedereen zag het, zij niet.
Als je het zou zeggen zou ze daar niets mee kunnen. Ze zou
verstrooid en glazig kijken, iets slims zeggen als: als je
horloge maar tikt onder de mouw van je jasje.
Je kreeg nooit echt antwoord of hoogte van haar.
Zij was verpleegster van beroep.
Nu ik naar al mijn herinneringen zoek, weet ik dat alles eigenlijk
vooraf vreemd is. Niet alleen achteraf. Pas in het donker krijgen ze
kleur, dan word ik niet meer afgeleid. Alle herinneringen worden
dan ook losser, alsof ik ze droom.
Misschien is dat ook wel zo. Of ik wil het zo.
Hoe dan ook, als ik me iets moois herinner dan zijn mijn stappen
zo licht dat ze nauwelijks een afdruk maken. Net genoeg om een
spoor achter te laten. Altijd met de zon mee lopen, dat is het geheim.
Dan is alles zo mooi. Dan liggen de  schaduwen als splinters tussen
je tenen. Je zou er over kunnen struikelen als je niet oppast.
En nu draai ik me om zonder verder te kijken, zonder verder te
weten.
Het is mooi om niets te weten en veel te bedenken.

Hartklop

Falen, 2015, computertekening

2015_falen_ctk

Raar

Als alles lust is, dan breekt het zweet met gemak gelig nat uit.
Zwijgen zou werkzaam zijn, maar dat kan alleen met de mond
vol vruchten. Het doet pijnlijk zeer zoals een beschuit eet met
het vals gebit van een zonderling. Die schrijven brieven voor geld.
Tenminste, dat vertelde een rusteloze nacht mij eens.
Diezelfde nacht vond ook dat dieren de stilte ontsierden, daar was
ik het ook al niet mee eens. Geluiden kunnen nooit ontsieren. Een
verse regenbui schildert de opspattende plassen. Ja toch? Applaus
is hier niet op zijn plaats, het hoeft immers niet, het is iets moois
dat vanzelfsprekend is. Bewaar het handgeklap voor iets anders.
Wolken bootsen boten na en botsen daarna weer andere vormen.
Soms meende ik vreemd genoeg de wimpers van een wandelaar
te herkennen. Dan hoorde ik weer iemand heel ontredderd zingen.
Zo lichtvoetig had ik het nog nooit gehoord. Prachtig!
De zenuwman is een supersnelle man. Hij nerft ruimdenkend.
Luie geesten begrijpen hem niet. Hun trage geest bedwelmt hun
altijd te dichtbije horizon. Met een weemoedig gebaar herkauwen
ze het oude.
En toen was er ineens een raar kloppend hart en werd de wereld
voor altijd anders.

Lot

Hartzeer, 2015, computertekening

2015_hartzeer_ctk

Het beeld dat veranderde

Elke seconde lang deed ik een hardnekkige poging het mysterie
te begrijpen. A gauw viel de onweerstaanbare onverschilligheid
op me neer. Er was niets meer aan te doen, ik moest me gewon-
nen geven. Ik werd nog zwaarder neergedrukt dan voorheen.
Mijn hersenschimmen namen het al snel over.
Het deed zeer. Dit had ik niet verdiend. Het deed hartzeer.
Voortaan zou ik de reusachtige hersenschim altijd moeten dragen.
Met de zwaarte van een mud steenkool onderging ik gedwee mijn
nieuwste lot, er was immers geen ontkomen aan. Het monster-
achtige beest was geen last die niets uitvoerde. Het hield me voort-
durend bezig. Ik werd de verdrukte man, ondanks mijn krachtige,
elastische spieren. De zware last haakte zich diep in mij vast.
Het leek me het beste om een ernstig gezicht te trekken en de
gevoelde wanhoop niet te laten zien.
Dat hielp gelijk, ik zakte niet meer weg in het stof van de bodem.
De hemel leek verlaten door iedereen, ik zag niemand. Wonderlijk.
Mijn berustende gelaatsuitdrukking had iedereen weggejaagd. Ik
begon weer te hopen. Keerde terug op aarde.

Muziek

Na de nacht, 2000, boek 72, pagina 44

2000_b72_na de nacht_p44_k

Houvast van een nachtmens

In het begin was er weinig werkelijkheid, weinig houvast.
Het leek steeds minder en minder te worden. Mooi gezegd was het
geel de verte aan het opvreten en het verre grijs verorberde de
echo.
Dan mag je er weer zijn om alles wijs te praten. Alle natte gifsporen
moeten uitgewist worden, anders zal de verbeelding verdwijnen.
Zulke uitgebleekte gedachten kan je tegen het vallen van de avond
hebben. Dat mag dan, de lichtdag is voorbij, de maangladde tuinen
zullen spoedig verschijnen. Het is een begin en eind tegelijk.
De zon treedt uit zijn licht, sneuvelt in het zwart. Het donker is mijn
zon en mijn uil, dan word ik pas echt. Tenminste dan komt mijn ik
dichtbij en voel ik me blij. Ik ben werkelijk blij met iedere nacht.
De nacht is onverdraaglijk mooi en tegen alle regels van de kleuren
in. iedere schim wordt in mijn beleving goed uitgelicht.
Ik spreek als een man, zing als een manlijk mens. Mijn ritme en rust
ontwaken en varen over alle meander-rivieren. Waar anderen dood
gaan in de nacht kom ik tot leven. Mijn blinkende, donkere woud
wortelt woest verder als mijn handen open gaan.
Pas als de frisse morgen het nieuwe licht kust ga ik slapen, dan pas
zijn mijn lekkende vlammen gelest. Er klinkt altijd muziek in mijn
hoofd.

Morgen

Doodlopende weg, 2013, boek 110, pagina 53

2013_b110_p53_doodlopende weg

Het rood bloedt door

Hij had geen enkel idee hoe blij hij haar had gemaakt met zijn
telefoontje. Zij was meteen een ander mens geworden, kon gelijk
zweven. Hoe is het toch mogelijk dat zoiets kleins zoiets groots
kan worden. Hij kon haar steeds opnieuw laten zwellen.
Zij noemde zijn afwezigheid, zijn niets van zich laten horen, altijd
aanvallen van wreedheid. Zij wilde het geluk van zijn aanwezigheid.
En als het dan niet anders kon herlas ze zijn brieven van vroeger.
Zelfs al was het kort geleden, het maakte haar altijd aan het lachen.
Hij kon zo grappig, lief schrijven.
Daarna dacht ze altijd: morgen zal hij bellen. Ze verlangde nu al
naar haar ‘poppetje’. Zij was de baby van haar poppetje en baby’s
houden altijd heel veel van hun poppetjes en willen ze altijd bij
zich hebben, nietwaar?
Haar nachtrust rustte niet. Ze sliep heel licht, terwijl diepe dromen
haar bedrogen. ’s Morgens was haar hoofd leeg. Akelig leeg en alsof
zij gedurende de dag niet al treurig en bezorgd was geweest kreeg
ze na het eten een ontzettend hevige hoestbui, dat haar hart het
bijna begaf. Ze viel flauw, haar ogen draaiden omhoog of keken
schichtig scheel.
Haar familie moest haar naar bed dragen, ze was er verschrikkelijk
aan toe. Die dag lag ze meer dood dan levend op bed. Er werd een
dokter gehaald, omdat men vreesde dat ze morgen vast niet meer
op zou staan. Wat een toestanden!
De dokter stelde vast dat het rood van de liefde bloedde. Ze had te
veel verlangen, kon de troost niet vinden. Ze moest meer aanvaar-
den, het verdriet verlichten.
Hij zou niet bellen die dag. Hij bleef hangen in een doodlopende weg.