Rood

Schaammeid, 2013, schets

2013_schaammeid_k

Laatst

Je weet nu wat rood doet. Je weet waar het verboden gras groeit.
Je weet wat zwart weet. De dode zon houdt alles verborgen, maakt
alles koud. Jouw tijd is een lokkende klok, je pruik is net zo kostbaar
als je haar. Je bent een geweldig vrouwtjesdier, die niet of nooit aan
morgen denkt. Je reist gewoon de tijd rond.
Door het sleutelgat van de avond zag ik je als een fee uit de vodden
staan. Ik smolt. Bouwde een weg naar je lijfelijk, lieflijk lawaai.
Je weet nu wat rood doet: het pakt mijn lurven.
Het pakijs van het verleden laat los en drijft weg met de laatste ge-
bonden, logge onderdelen. Mijn binnendorst kan zich nu lessen.
Plotseling slaat de bliksem in, juist waar ik drinken wil!
Ik sta daar als dood bier.

Gewemel

Contact, 2004, schets

2004_contact_schets

Oude zak

onder de zak:
oren gespitst
dubbelgewassen
overvloed

vuile gedachten
maken makke dingen
half gelukkig
zelfcensuur

borduurdromen
benevelde geschiedenis
beschermde neuzen
reukgordijn

zomerlusten
hunkerschaduw
hoopvol gewemel
hemelrijk

vliegende toekomst
opgelichte opdracht
doorboort oor
zakzwijgman

Visie

Leeghoofden, 2015, computertekening

2015_leeghoofden_ct

Boos driemanschap

In 1967 exposeerde ik samen met twee andere makkers in het
Groninger Museum. We waren jong, een jaar afgestudeerd en vonden
het normaal en tijd worden om te exposeren in een museum.
De wereld wachtte immers op ons, we staken alvast een sigaar aan.
Liever had ik de ruimte in mijn eentje gevuld, altijd werk zat. Nam
het voor lief en schitterde. In de recensie kwam mijn anders zijn ter
sprake, ik zou serieuzer zijn, ik had een visie…
Aan m’n hoela! Serieuzer was een beschimmeld woord voor meer
kwaliteit, al wist ik dat toen nog niet. Ik had een mening en een
opdracht, iedereen moest dat weten, zien. Leeghoofderij was niets
voor mij, mijn hoofd zat overvol.
Het museum kwam met de term driemanschap, ik voelde me er erg
ongelukkig mee. Het zou een soort verwantschap inhouden (die er
niet was). Klasgenoot was slechts de verbinding. Al snel had ik me
los gerukt van de opleiding, het duurde me toen al een jaar te lang.
Ik zocht en kreeg andere vrienden, werd door een andere, interna-
tionale galerie gevraagd. Dat deed mij en mijn werk goed.

Dat het Groninger Museum toen niets aankocht was een feit
en een grote teleurstelling. Ze zouden daar later vast spijt van
krijgen, was mijn klinkende overtuiging.
In een veel later gesprek, nu met een heel andere conservator
van dat museum, kwam het weer ter sprake. Hij vroeg naar het
werk van toen.
Met groot genoegen kon ik de waarheid zeggen: ik heb alles
verbrand!!
Ik zag ineens een bleek hoofd met grote ogen.
Hij schudde meewarig zijn hoofd, vond me een cultuurbarbaar.
Ik vulde in gedachten aan met visie.

Belegen

Franse vrouw, 2015, computertekening

2015_Franse vrouw_ct

Muts

Een vrouw kwam langs en had haar hoofd meegenomen. Haar
voorhoofd was een rimpelloze zee. Zo spiegelglad, zo simpel, zo
jong. We waren zeventien.
De wereld had haar vooruit gestuwd en nu was ze vol vraagtekens
bij mij. Haar wimpers leken me grote zeilen. Ik moest haar vast
zien te houden. Voor je wist zou ze weer weg zijn.
Dus zette ik haar in een oude schommelstoel.
Er was geen zon, maar wel licht en ik zag dat ze een mutsje op had.
Niet zomaar een mutsje, het was een echte Franse baret met zo’n
klein steeltje boven op (of was het de mast van haar inwendig bootje?).
Er was wat wind dus deed ik het raam dicht.
De schemer verkleurde de kamer, maakte alles grijzer blauw tot
het was uitgewoed. Licht werd donker.
Kijk, zei ze gehaast, we hebben ons verinnerlijkt en varen zoet
vereenzaamd in een landschap. Ik roei en jij schept met je elegante
hand het wassende water uit ons bootje, opdat we niet zinken…
Ik was nogal verrast door haar verbeelding en zei droog: ik wuif de
tijd ook nog even weg en wat houd ik van je knieën uit je rok!

Fantast zul je zeggen, maar ik ben er bij geweest en dan kun je alles
zien en herinneren. Jonge mensen zeggen vaak belegen dingen.

Geduld

Maanvrouw, 2015, computertekening

2015_maanvrouw_ct

Nachtmist

Van ver bekeken was ze mooi. Ze verschijnt onschuldig met een
vergulde neus. Is geduldig als de nacht.
Een schimmige nachtwaker bloost zich een leven door zich met
de sterren te meten. De maan verdrijft de stad voor een tijdje, zij
is moe. Om de hoek waait een verloren wind, het dak van het huis
kraakt kouwelijk.
De maan had zich voor altijd in haar huid vastgezet. Een klein
stukje van haar neus bleef geel. Niets hielp om het te verwijderen.
Zelfs de nachtmist of de ochtenddauw lieten het afweten. Ze bleef
plaatselijk een tikje geel. Heel vreemd.
Overdag wreef ze haar ogen uit haar bril, ook dat hielp niet.
Ze droomde van een nachtuniform. Een strelend uniform.
Het ontwapende geluk zou daarna haar weg vinden. Echter, een
honderdarmig monster hield het tegen. Tenminste zo voelde ze het.
Toen ze later werd uitgescholden voor Maanvrouw was de nacht
helemaal zwart. Ze moest aanvaarden dat ze de dingen niet kon
dwingen. Ook niet bij volle maan. Ze moest geen trede hoger klim-
men dan ze kon.
Uiteindelijk:
Verdeelde ze de seizoenen over haar vaste speelplaatsen.
Het geel van de neus ging geleidelijk weg.
Alles is een kwestie van geduld.

Boeket

Geduld, 2006, monoprint

2006_geduld (monoprint_k)

Valman

De schemer kwam in de kamer en verkleurde alles. Alle kleuren
vergrijsden, bloeiden uit. Het blauw bleef het langst blauw. Tafels
en stoelen raakten los van de ruimte. Hij werd er gelukkig van.
Buiten rukte het zwart op, zwartte alle bomen, vogels verdwaalden
of sliepen al.
De deur was op slot, gordijnen dicht, de dagelijkse vrede heerste
huis aan huis. Na de schemering verdwijnen alle dingen.
Hij zei van zichzelf dat hij geen moeite had met eigenliefde. Hou
me vast was dus altijd dichtbij. Het hele jaar stierf door het jaar zelf,
werd een vergeelde krant. Onze armen kunnen het niet tegenhouden.
Niets van wat hier blijft is ooit gekomen, hij had het niet mogen zien.
Er zat niets anders op dan zelf te verdwijnen door achteruit te lopen.
Het hielp niet, hij struikelde. Als zij hem niet had opgevangen was
hij hard gevallen.
Zij likte zijn nek. Trok zijn hemd uit de broek. Streelde zijn buik.
Samen werden ze een geurig boeket.
Met wat geduld en liefde kom je de eenzaamheid niet tegen.

Sleutel

Aantrekkingskracht, 2013, boek 11, pagina 46

2013_b111_p46_aantrekkingskracht_k

Dichtbij is ver weg

als woorden uit het hoofd verdwijnen
wordt er niets meer gezegd
begeerte is een brandstichter
oneindig dichtbij is nabij de grens geweest
gesloten ogen missen niets
zonder gek te worden zijn we dom
alles wat aantrekt is kracht

als alle parallelle werelden samengaan
wordt er flink gedacht
zonder verveling of afstomping
verlicht de machine zich
het doodlopend spoor bleek onervaren
uitgekeken intelligentie
is niet buitenaards

dichtbij is behalve ver weg
meestal gewoon dichtbij

Kunst

Blue Frame, 1998, schets

1998_Blue Frame_k

Over mooi

Het mooiste ogenblik is grenzeloos, als een constant openbarstende
bloem.
Vaak lukt het haar dit geluks-punt te vinden en op te rekken tot het
volslagen tijdloze.  Ze weet natuurlijk wel dat het bij uitstek juist
tijdelijk is en dat er ook onbereikbare dagen zijn.
Op onbereikbare dagen wordt het ogenblik snel nagekeken door het
rood van de wangen. Het bloost zich zo een schaamtevolle weg. Het
lichaam laat zich van zijn meest lullige kant zien en speelt eigen
rechter.
Het mooie is dan dat de natuur een biggeltraan laat vallen in de tuin,
waarop vooral de merels actief reageren. Ze zingen zich de longen
uit hun bek. Vogels hebben ook hun mooie momenten. Vaak ’s ochtends.
Op dit mooiste ogenblik ziet ze even niets zolang ze wegdenkt.
Ze weet niet of het een vorm van ijdelheid of echtheid is. In elk geval
speelt ze haar eigen hoofdrol. Ze herkent alles driedubbel en helder.
De langgerekte momenten spiegelen het verleden genadeloos terug.
Ze weet niet of het kunst of echt is. Zeker tijdelijk mooi.
Dan zal het wel kunst zijn.

Mini mono

Bespiegeling, 2013, computertekening

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Tekenen van grijs gedraaid geluk

Tekenen beschouw ik als het meest hartstochtelijk werk wat bestaat.
Werken aan een tekening of schilderij, hoe groot of klein ook, brengt
mij in een staat van groot geluk. Dan ben ik helemaal totaal één met
mijzelf.
Bij schilderen is het meer een logisch verlengstuk; ook mooi.
Werken aan een tekening grenst aan een waanzinnige euforie.
Alle vermoeidheid of somberste somberden lossen als sneeuw voor
de zon op. Er zijn ineens geen tegengangers meer. Je bent totaal
koning in je mini-mono-rijk.
Tekenen is een staat bereiken waarin alles monistisch wordt, alles
vloeit voort uit een verschijnsel, in dit geval mijn complexe geest.
Het is een heerlijk gevoel, een besef van grote eenheid, rust.
Als tekenaar ben je je eigen God of grote goedheid.

Waarom is de geest van de tekenaar zo complex zul je je misschien
afvragen? Dat komt omdat hij mens is, dieren doen niet zo.
Als ik teken denk ik niet aan de beschouwer, die is op dat moment
een imaginair persoon, ik denk ook niet aan mezelf, want op dat
moment ben ik misschien ook wel een imaginair persoon. Ik doe
en dat is voldoende. Dat is het mooie van het gevoel van trance of
extase.
Tijdens het tekenen schep je een ander ego. Je bent een bewuste
geest geworden, een kern waaruit alles voortvloeit.
Wat precies die kern is en waar die ligt hoef je niet te weten, dat is
iets voor zoekende kunstvorsers (vermomde psychoanalytici).
Mijn eigen web bestaat uit mijn geheugen en bewustzijn.
Ergens blijft nu het woordje mededogen hangen. Ik weet niet precies
waarom.
Men zal het mij vast binnenkort gaan vertellen, vermoed ik.

Etter

Inner, 2015, bewerkte foto

2015_inner_bf

Het gesprek

Om de zoveel  tijd, laten we zeggen twee, drie keer per maand,
krijgt een jongeman bepaalde telefoontjes. Mogelijk zijn ze niet
voor hem bestemd, het zijn vreemde gesprekken. Hij wordt er
soms opgewonden, soms neerslachtig van. Meestal raakt hij van slag.
De verschillende stemmen aan de andere kant van de lijn dringen
zijn stil leven binnen met voorstellingen waar hij geen enkel affiniteit
mee heeft.
Vaak wordt hij verzocht een moord te plegen op die en die, die daar
en daar woont. Dat geeft een ongemakkelijk gevoel.
Ook bieden mollige dames zich aan. Ze zijn niet meer dan een warm
lijk. Hij hoort alles gespannen en vol afschuw aan en zou er zeker
gegarandeerd syfilis van krijgen als hij er op in zou gaan (als straf
van zijn fysieke medeplichtigheid). Niet doen dus.

Vreemd verhaal zal je zeggen, maar die provocaties gingen gewoon
door. Soms moest hij naar een plein gaan om daar iemand te treffen.
Die kwam nooit opdraven natuurlijk, maar hij kon de telefonische
dictaatjes niet de baas.
Nee zeggen was geen enkele optie, nooit geleerd.
Zo werd hij vanzelf een dolende grijsaard, die in eigen hallucinatie
geloofde.
Zijn herinneringen raakten ervan in de war.
De stem aan de andere kant van de lijn bleef etterig voorzingen.