Spiegels

Verkoolde clown, 2012, computertekening

Leeg nieuws

Je kon de verkoolde geschiedenis gewoon ruiken. Je werd
door de omhoogkringelende rook gestreeld. Op die manier
werd de horizon schoongewreven van alle mensen.
Wij bleven alleen over.
Ondanks alle grijzigheid voelde ik de temperatuur van je
gezicht. Je wangen kleurden als vuur van een zelfontbran-
dende roos.
Ik kwam niet dichterbij, ik zou me misschien schroeien.
Mijn hartkloppingen laten het tweemaal gestorven maanlicht
in mijn keel zien. Het is bijna als sneeuw wat instort als voor-
teken van een groot geheim.
Je bent even mystiek als een zwaan.
Ik zou een gemeend gedicht voor je kunnen schrijven.
Maar ik doe niets, ik houd afstand. Je verlichting zou me
ontregelen. Het enige wat telt is de aftelling als een soort
hunkering, mijn verwrongen klaagzang.
De zoektocht, ik zoek nog het juiste woord hiervoor, voelt
niet alleen angstaanjagend, het is ook eindeloos mooi. Net
als jij. Of nee, niets kan zo mooi zijn als jij bent. Als ik me
met jou vergelijk ben ik verkoold deeg. Zou dat die rook, die
geschiedenis verklaren?
We zijn elkaars vlam, of ik zou dat graag willen.
We zien elkaars spiegels en plukken elkaars verwachtingen,
schrijven met elkaars meeldraden in een inkt van gemaakte
leegte.
Hoever is de omarming? Ik wil je plunderen, zingen van bloed
en vlees.
Ik hoorde dat je niet ongebonden bent.
Het murmelende maanlicht heeft het me zelf verteld.
Ik doe niets.

Mijmering

In het zicht van de haven, 2012, boek 103, pagina 42


Naderende kaden

Vandaag ben ik me bewust van de lucht. Dat weet ik omdat
er dagen zijn die ik niet zie of voel omdat ik in de stad leef.
Dus nu ben ik met mijn hoofd in de wolken en zie ik geen
enkel gevaar. Ik onderzoek mezelf en ken me niet. Het maakt
me nieuwsgierig, willerig.
Daarvoor deed ik nog niets wat nut had, verspilde ik mijn tijd
met het warrige interpreteren van niets. Die kleurloze droom
bracht opnieuw niets.
Wolken…ze zijn mijn alles, zij ontwrichten het werkelijke. In
die wanordelijke overgang tussen hemel en aarde leven de
impulsen, die je ver van het dagelijkse lawaai vrolijk maken.
Pas als je denkt dat je aan alles hebt gedacht trekken de wol-
ken snel voorbij. Dan vergaat alles weer in de herfst als op-
gebrande lucifers, die links en rechts op de grond liggen.
Zoiets kan je bedenken als je slaapdronken bent.
Dan doet je hart zeer als een vreemd lichaam.
Dan slapen je hersenen alles wat je voelt.
Dan is de lucht en mijn ziel zonder glimlach.
Geef mij de wolken en de dag zal geen einde kennen.
Bovendien: in het zicht van de haven ziet men de naderende
kaden. Een hele opwinding en troost.

Denken is ondanks alles meestal handelen.
Alleen in de absolute mijmering, waarin niets actiefs zit, alleen daar
kan een volledig afzien van alle handelen worden bereikt. Je kan dan
even heerlijk wegzinken in een soort vochtige modder.
Misschien is dat het moment dat je jezelf even kan zien als de natuur.
Je kijkt naar je indrukken als naar een open veld en voelt je wijs.
Dit is natuurlijk maar een theorie of uitspatdroom.
Of het leven goed of slecht is weet ik niet. Ik wil er niet eens over na-
denken. In mijn ogen is het een verrukkelijke droom en wat kan het
mij schelen wat het voor een ander is?
Het leven van een ander past niet bij mij.
Verder ben ik nooit te oud voor mijn gevoelens.
Ook mooi.

Tegenwicht

Zwarte dag, boek 103, pagina 55

Feestdag

Het zou onze feestdag moeten zijn, maar zij hoort hem hard
schelden. Zijn rechter oogwit trekt daarbij steeds een beetje
naar rechts, wil kennelijk naar zijn kin. Terwijl hij aldoor een
hand vol pinda’s eet blijft hij stevig schelden. Het blijft haar
een raadsel, want hij wou zelf bij haar op bezoek komen.
Kennelijk zat hem iets dwars en moest hij al zijn gal spuien.
Terwijl hij zo doorschiet ziet zij ook dat hij bang is om te ver-
dwalen.
Aan zijn broeksriem hangt een enorme bos sleutels. Je zou er
mank van gaan lopen als je je niet tegenwichtig opstelt.
Daarna doet iets vreemds: hij steekt de sleutels één voor één
in de appels van de fruitschaal op tafel. Niet normaal. Voor
hem lijken het veelbetekenende punten. Zij heeft nog nooit
zoiets gezien. Gaandeweg snoept hij wat gevallen vrucht-
vlees, dan is er even een kleine pauze in zijn tierende tirade.
Gelukkig wordt hij na een tijdje rustiger. Alle sleutels hebben
hun plek gevonden.
Ze gaan zitten kletsen. Gewoon zoals altijd.
Uit zijn rechter ooghoek valt iets zwarts. Het is net alsof het
daarom buiten nu donker wordt. Het zou een gave kunnen
zijn.
Kijk, zegt hij wijzende naar dat zwarte, daar hebben we de
vreemdeling, die mij dwars zat!
Beide moeten we lachen en maken een flesje wijn open.

Binnenwaarts

Tweelicht, 2000, acryl, 180 x 110 cm

Paperglance, 2000, pagina 10

Open raam

Hij droomde van ver binnenwaartse blikken.
Het was een prettig gevoel, het was niet beklemmend.
Zwijgend liepen ze gezamenlijk over de vochtige, bemoste
grond. Ze sloegen daarbij steeds de boomwortels over, wil-
den kennelijk niet vallen.
Het zwijgzame had geen ernstige reden, er viel gewoon niets
te zeggen. Ze kenden elkaar tenslotte ook al lang. Te lang
voor het uitvergroten van niemendalletjes.
Alle overpeinzingen gebeurden dus van binnen.
De slanke, rijzige, teer bebladerde bomen leken klaar hun te
kalmeren. Zij werkten in ieder geval op zijn minst mee. Het
bos is van nature erg vriendelijk en rustig als het licht van
een schemerlamp.
Ze liet alles kalm op zich inwerken.
Het was een waar genot. Ze voelde zelfs een nieuw soort lief-
de opbloeien. Zonder het te zeggen was ze volkomen vrij.
Ze glimlachte en haar glimlach kwam zo vrolijk op de natuur
over dat zij die als het ware kuste. De bladeren zagen alles
en ritselden herfstachtig om deze merkwaardige liefkozing.
Van dat lawaai werd zij wakker.
Ze deed snel het klepperende raam dicht.
Stond op.

Zwarte dag

Modderman, 2012, bewerkte foto

De modderkop

Iemand gedroeg zich als een spotlijster achter een paniekkat
aan. Niet heel lang, maar lang genoeg om erg hanig en peste-
rig het leven van een ander flink zuur te maken. Wat de ander
ook deed om er onderuit te komen, niets hielp. Woorden wer-
den niet verstaan of omgedraaid. Er werd veel modder gegooid.
Maar op een dag, een zwarte dag voor de modderspotter,
kwam iemand anders op het idee hem eens een lesje te le-
ren. Hij had een grote mond en scherpe tanden, dus beet hij
hem diep in het nekvel. Door zijn oude pak had de spotter
het niet zien aankomen en was ineens levend willoos. Hij pro-
beerde zich nog wat los te rukken, maar dat deed alleen maar
meer pijn.
Beschreven levens zijn vele malen interessanter dan levende
lijven, siste de aanvaller en beet de spotter dood.
Heel de buurt was blij met deze daad en men vertelde het
toch wel wrede verhaal nog jaren lang door. Minutieus werd
beschreven hoe die nare man met één enkele doodbeet aan
zijn einde was gekomen.
Vertel me alles van het begin tot het eind, langzaam en met
alle details, zei men dan. Het was heel opwindend ondanks
de bekende, lugubere afloop.
Voortaan heerste er een vredige rust in de wijk.
Vreemd genoeg hunkerde men af en toe stil en stiekem naar
de verdwenen, dode pestkop. Soms denkt men in een wolk
het gezicht van de plaaggeest nog te zien. Dat is zijn wraak.
Daarna gaat het heel vaak zo hard regenen, dat het lijkt alsof
de hemel brekend leegloopt.
Hij kan nog steeds geluk is onmogelijk doen.

Ikvreter

Blauwe waas, 2012, computertekening

Blauwe waas

Het is zo maar een kamer. Een kamer zonder muren. Het is
zijn kamer. Slappe strengen verbinden hem met het univer-
sum. Zijn hersenen wachten af, kunnen niet anders. Hij is
nogal zwak. Altijd in de afwachting. Altijd bleek verlegen.
Maar er wordt wel beslist. In die beginnende megafase is
het niet stil bij een ander. Dat kun je horen. Het tast hem
aan. Hij schaamt zich blauw.
Aarzelend steekt hij zijn hand op. Men kijkt zijn kant op. Hij
heeft vijf vingers in de lucht, een wonder. Elke vinger heeft
een verleden en een toekomst. Die hand sluipt bij de men-
sen binnen. De ikvreters zijn stilgevallen en klokprikken niet
meer.
Zijn stille hand vergruist de inwisselbare handdrukkers.
Hij zegt: Ze hebben me ingefluisterd bevolen dat het nu,
ja nu, noodzakelijk is. De nood is hoog! Het is noodzakelijk
dat we niet meer spreken. Niet en nooit meer.
En daarna deed men het, men zei O.K. met een gebogen
hoofd. Men is toen ouder geworden.

Verkoold

Jackie Lisa, 2012, computertekeningen

Geen gezicht

Ze had een gezicht dat veel weg had van een laatste, bijna
weggewaaide bloem. Haar lichtpaarse gelaat verbleekte per
seconde. Ze was doodkoppig.
De doodkoppigen zijn stellig of stil. Ze drijven met hun ogen
de wolken weg en wijzen zomaar iemand aan. Hun handen
zijn hard, in tegenstelling tot hun oren, die omhelzen het hart.
Waar het buiten koud en zwart is, daar waar de wolven graag
zijn, laten zij hun warme kant zien. Zij huilen mee, zodat de
stenen in de zon willen dansen en de insecten wegschieten
als een net geknapt stuk elastiek.
Meestal is er weinig licht. Alles lijkt dan schaars en niet onder
controle. Hoe anders is de lichtstad! Met z’n tienduizenden
leest men daar boeken. Boeken over het menselijk bestaan
of varianten daarop. Alles onder de loep. Niets mag verloren
gaan tot de grond is vergaan. Pas als alle bladzijden uitgele-
zen zijn gaan ze naar bed. De vacht van de huiskat neemt het
over en ronkt zich rood, omdat het licht beslag legt op het ge-
luid. Zo wordt alles groot wat klein was.
En zo spugen de bleke doodkoppigen het eten weg. Zij bezit-
ten het geheim en bezingen het in de nacht. Hun tanden bloe-
den als gevulde bonbons. Dat is nog eens lachen!
Als je oud en wijs wilt zijn moet je eerst ontdekken dat dorst
iets nats is. Dan pas gaan planten en bomen uitlopen.
Terwijl ik dit schrijf denk ik: ik lijk wel gek. Knarsetandend gek.

Stuk

Blafhand, 2012, boek 103, pagina 11

Uit de oude tijd

De tijd staat op stuk, zei ik als kind, als de klok stil was blij-
ven staan. Vergeten het gewicht op te trekken, werd er dan
gezegd. Ik snapte er niets van, dacht dat je dan aan dat zware
ding moest gaan trekken om de tijd vrij te maken. De tijd
moest weer in het gewicht zitten.
En als dat dan lukte deed je puur uit vreugde een trompet-
dansje. De anders zo bedrijvige stoelen hielden ineens hun
stokoude poten. Ze zwegen althans, omdat het toen vroeger
was.
Die stilte werd dan als volgt opgebouwd:
in het begin begon de familie wat aarzelend te klappen, daar-
na kwam men wat losser door extra naar lucht te happen.
Zuurstof is immers goed voor de mens.
De stilte ging ten slotte van zucht naar schaterlach.
De tijd had hun aangeraakt. Borst en buik golfden flink om
een mooi geluid te produceren. Het lachen bleef niet meer
in het overvolle hoofd steken.

Als kind bracht ik geluk. Mijn lawaai-leven was vaak raak.
Ik zette de stilte op stuk.
Op zo’n mooie dag denk je aan oude zomers.
Oude zomers, altijd mooi weer. Aangename briesjes.
Zeker de mijn tijd, eind jaren veertig, begin vijftig.
Toen was de jeugd nog zonnig en stil, zegt men nu.
Ik denk dat dat niet zo is. De tijd is alleen veel sneller gewor-
den, waardoor alles zich ook sneller opstapelt. Er gebeurt nu
meer in dezelfde tijd en we laten dat ook direct aan iedereen
zien. We kunnen niet meer alleen zijn. Ook niet op een mooie
dag als deze.
De middag is nog vroeg. De regen is opgehouden en de lucht
is weer voor het eerst doorschijnend. De wolken zijn zorgeloos.
Er is zelfs af en toe zon. Buitenspeelweer.

Ik ben weer vijf. We zijn net verhuisd. Ik heb de indruk dat we
hier nu wonen. Zo lang mijn ouders, mijn broers en zussen dat
doen, volg ik stilletjes. Dan is het goed kennelijk.
Er ligt veel post op het dressoir. De brievenopener is zoek ge-
raakt bij de verhuizing.
De jassen van ons gezin hangen in een soort klein hokje, aan
de oude kapstok van het vorige huis. Je kunt daar mooi ver-
stoppertje spelen, maar ik wil liever naar buiten, daar is meer.
Het mag niet, nog niet.
Eerst moet ik weten waar ik woon, zegt moeder.

Ik begin ziek te worden en lig al dagen in bed.
Geel onder het ooglid, zei de vreemde dokter, ik zie het al….
Het drankje wat ik daarna krijg smaakte vies, bitter. Mijn
naam staat op het etiket van het flesje geschreven wordt
verteld. Ik tuur aandachtig, geloof het niet. Als het echt voor
mij was  dan zou het lekkerder moeten zijn.
Ik heb geelzucht. Ziek zijn is knus. Rustig. Je krijgt aandacht.
Mijn bed staat aan de tuinkant. Ik hoor de vogels groeten. Ze
kennen me nu al, ik gaf ze kruimels.
’s Nachts droom ik over het oude huis, waar nu mijn groot-
moeder met mijn oom en tante woont.
We hebben geruild – zei mijn vader, maar waarom bleef ik
dan niet in het oude huis?
Ik wil terug.

Blauwe draad

Broken Record, 2012, boek 103, pagina 18

Fijne zondag

Die middag ben ik met Roy naar de bioscoop geweest.
Toen we daar binnenkwamen hadden we al ruzie. Lagen al
verhoop hoop met elkaar is beter uitgedrukt, er was even
geen enkele hoop meer. Ik had zelfs zin om te huilen.
Natuurlijk kwam het door iets onnozels, dat weet ik ook wel.

Hoe zat dat dan?
Het begon zo. Ik was laat opgebleven, wel tot twaalf uur, van-
wege een blauwe draad. Zonder die draad kon ik de knoop
niet aan mijn bloesje naaien. Mijn moeder begon al te mop-
peren: je weet nooit waar je de dingen laat, net als je vader.
Ze werd er nerveus van.
Mijn vader werd daardoor boos en begon de lichten alvast uit
te doen. Doordat het nu bijna donker was vond ik de helblauwe
draad en kon de knoop er toch nog aan zetten. Daarna ging ik
doodmoe naar bed, dacht een poosje aan Roy en viel in slaap.
Vandaag, toen hij aanbelde, was ik al schoon en aangekleed.
Hij kwam opgewonden binnen, zonder mijn rozen in het haar
op te merken, zonder naar mijn met zoveel zorg glad gestre-
ken bloesje en rok te kijken. Hij liep gelijk door naar mijn va-
der, die in een schommelstoel net aan het wegdommelen was.
Roy stak een heel verhaal af, maar mijn vader deed niets of
deed alsof hij diep sliep. Zwaar geïrriteerd zei Roy nog tegen
hem ik vertel het je later wel en tegen mij: kom we gaan.
Dus gingen we de deur uit, terwijl ik zei dat ik het vervelend
vond hoe hij deed. Daarna bleven we stommetje spelen.
Onderweg kwamen we zijn ex-verloofde tegen. Roy liet mijn
hand ineens los. De ex liep ons arrogant voorbij, zonder ons
ook maar één blik waardig te keuren. Het stak me.
Toen voelde ik de tranen al bijna komen.
Ik weet wel dat ik met hem zal trouwen, want ik ben knap,
knapper dan zijn ex, en ik wil ook met hem trouwen.
Die twee in de film hielden ook van elkaar. Heel veel, net als
Roy en ik.

Gewist

Nieuwe loot, boek 103, pagina 19

Voorbij verleden

Zijn verleden drijft op duizenden kurken, niet op rooksignalen
uit honderden asbakken. Men zegt dat hij twee linkerhanden
aan elke arm heeft, maar als hij ter plekke om zou vallen zou
hij nog net haar naam noemen. Uit liefde, uit dromerij.
Zijn dagdromen zouden beloond moeten worden, tenminste
met alle dagen mooi weer, bloemencorso, filmmuziek. Er zou
ook veel confetti moeten vallen. Groot applaus.
Zijn linkerhanden vonden veel flessen in zijn vaders kelder.
Het roesdromen begon toen. De stapels ongelezen boeken naast
de open haard raakten op. Bedachtzaam drinken helpt niet meer.

Later:
In een rechte streep naar het verdwijnpunt, waar alle lijnen sa-
menkomen, leeft zijn gewiste geheugen. Het lijkt nog een meest
op een luie geest. Luie geesten begrijpen niets, alles gaat te snel
of te traag. Met een weemoedig gebaar maakt hij slecht kort een
bevestigend O.K.-teken. Dat moet het maar zijn. Ieder woord is
volledig dichtgespijkerd en komt er niet meer uit.
En nu?
Nu gloeit en groeit het steentje weer mooi in de vijver. Welcome
in Nowhere. Hij werkt weer ondanks de linkse handen en dat is
maar goed ook:
Noodklokken worden anders te hard, zij moeten geregeld worden
ontlast. Hij maakt weer boeken vol met woorden, cijfers, beelden.
Hij wil weer buiten de perken zijn, het verleden voorbij.
Waanzin kruist vaak zijn pad en zo kruist het mooie met het nog
mooiere. Aan zijn wereld kleeft al het verborgene. Er is van alles,
niets op zijn plaats, dus van alles nog te weinig of te veel.
Zoek het maar uit.
Wij hoeven het alleen maar te plukken.