Verdrijving

Familie, 2013, boek 109, pagina 48

2013_b109_p48_familie_k

Ieder afscheid is een nieuw begin

Ik kom afscheid nemen, zeg ik. Zij zit aan een lange tafel, de rug
naar mij gekeerd. Ik kan niet zien hoe ze het opvat. Zij draait zich
een kwartslag om, trekt me tegen haar aan, haar borst raakt mijn
schouder. De krimpende afstand doet het bloed sneller stromen. Al
mijn cellen zijn nu verhit. Ik word duizelig, geef me over.
Mijn afscheid kan geen afscheid worden. De rauwe bewegingen die
we maken beloven andere dingen. Ik ben ergens bang voor deze
herrijzenis en bewonder haar moed mij vast te houden.
Wij, de geliefden, gaan gewoon door waar we ooit waren opgehouden.
Er komen nog ander jaargetijden. In hun gevoeligheid geven zij mis-
schien af op elke verandering, maar wij trekken ons er niets van aan.
Laat de rivier maar buiten zijn oevers treden, wij rollen wel mee en
zeggen gewoon akkoord, laat de lente nu maar komen.
Het afscheid kijkt ons argwanend aan, alsof hij geen enkel woord
gelooft en onze donkerste gedachten kan lezen.
Dit wordt een avond van verdrijving en één en al verleiding, het is
tenslotte een warme zomer. Niets heeft meer zijn oude loop, die
trouwens ook geen goede was. Die nacht galmt de gaal. Die nacht
verdort het gras dat wij beiden hebben doorweekt.
Die nacht maken wij familie zonder het te weten.

Irritant

Eigen wereld, 2013, boek 111, pagina 48

2013_b111_p48_eigen wereld_k

Onbereikbaar

Ik was zestien. Je stond naast me. We wachten op de bus.
Je probeerde een praatje te maken, dat doet toch geen pijn, zei je.
Ik luisterde niet en stapte de bus in. Je ging naast me zitten terwijl
er genoeg andere ruimte was. Je rook vies naar tabak.
Ik ga er hier uit, ik moet met de metro, zei ik, loog ik en stapte uit.
Waarom verliezen wonderen altijd hun glans bij mij? Eerst Sinterklaas,
toen de ooievaar. Nu dit. Ik kan niets vasthouden.
Vader zegt dat ik me afsluit voor iedereen, maar dat is niet zo.
Anderen zijn gewoon stom, onwetend en hebben geen fantasie.
Als ik zeg dat ik jou ken als de lege handschoen de beweging zie je
alsof het werkelijk in Keulen dondert. Dus dat wordt dan niets.
Als je terug had gezegd je trommelt in me, zou mijn holle lichaam
ineens bol van leven staan. Alles zou dan plotseling van niet naar
groot helemaal gaan.
Jouw koortsachtig mottig cirkelen rond de lamp is ronduit irritant.
Je mag branden. Ja, doe dat maar even.
Luister. Wat ik nu zeg is waar. Ik ben lang en onbegaanbaar. Niets
is bij mij verzonnen. Zoek me niet, ik ben een uitgetrokken hand-
schoen die eeuwig zweeft. Er is geen weg naar mij. Geen enkele.
Ik passeer, ik ga voorbij. Er is geen pats boem.
Dit alles maakt me niet gelukkig, maar ook niet moe. Ik ben zo.
Je bent voor altijd een vreemde voor me, ook met je praatjes.
Zag je met je vreemde ogen niet mijn vreemde mond?

De kus

Toenadering, 1997, bewerkte foto

1991_toenadering_bf

Aan de rand

Ze hield het uiteindelijk niet meer uit en zei op die goede dag:
Je hebt me al heel lang niets verteld meer over jezelf!!
Hij keek geërgerd op en nam nog een slok van zijn verse cap-
puccino (wit op de bovenlip) en gaf geen sjoege.
Droom je nog wel eens over me? – viste ze verder.
Ach, dat is al zo lang geleden – mokte hij – ik kan me zelfs dàt
niet meer herinneren. Ondanks het gezucht daarna leek hij
plezier te hebben bij die uitspraak. Zijn mondhoeken krulden.
Zij:
Wat kan je toch prachtig serieus kijken als je dat zegt, terwijl je
gewoon maar iets zit te verzinnen!!!
Graag had ze nog verder willen vertellen omdat ze wist wat hij
daarna nog meer zou verzinnen, maar hij kwam snel op haar
toegelopen en met zijn dunne, maar hartstochtelijke lippen kuste
hij haar vol op de mond. Fluisterde daarbij de rest van nog meer
onzin in haar gewillig oor. Dit klonk oprecht.
Even wist ze weer dat hij geen drijvend lijk was en voelde zich als
een weekdier zonder huis. Heel ongewerveld.
Even later:
Zij zag er mooi uit, omdat ze succes had. In de omgeving stond
ze bekend als de vrolijke, gemakkelijke vrouw.
Dat scheelde.
Wat men niet wist was dat ze van tijd tot tijd als heer verkleed op
avontuur ging. Talrijke vrouwen knoopten een relatie met haar aan.
Ze stotterden alle frustraties over hun mannen uit. Waarop zij dan
doodleuk als een echte hij zei: Dat interesseert me niet, vrouwmens!
Ga weg, je bederft mijn uitzicht!
Men vertrok daarna met een spijtige staart of iets dergelijks tussen
de benen: versierpoging mislukt!
Het gaf haar veel plezier. Haar succes was zo sterk dat het de natuur
ook opvrolijkte. Bladeren glimlachten zich mooi, werden glansgroen.
Natuurliefkozing is o zo mooi als je er oog voor hebt.

Juiste maat

Te rechte trechter, 2013, computertekening

2013_te rechte trechter_ct

Kleine geschiedenis

Toen ik nog onder het gewone volk leefde, niet eens zo lang ge-
leden, was er eens een uil in een boom flink aan het krassen. Het
was bepaald geen beschaafd geluid en de mensen keken bezorgd,
wilden hem per direct doodschieten.
Ik hield hen tegen, maar de mensen duwden me aan de kant met
de woorden: uilen brengen ongeluk. Wanneer er voor mensen on-
heil dreigt, dan komt er een uil krassen…
Dat leek me sterk, een uil is juist een wijze vogel, dus als er echt
onheil is zou je de vogel eerder moeten bedanken, niet doden.
Ditzelfde verhaal, maar dan anders, deed me denken aan een klacht
over een trechter. Er zou te veel vloeistof door zijn hals vloeien. Hij
zou niet genoeg taps toe zijn gemaakt, hij begon te sputteren (wat
voor een trechter zoiets als stotteren is) en de mensen werden heel
boos.
Die trechter had echt wel de juiste maat om van groot naar klein te
gaan. De mensen waren gewoon te ongeduldig en snapten de tijd
niet. Tijd is vloeibaar mits het uit een goede bron komt. Tijd heeft
geen lichaam en geen geest. Tijd heelt, is een wonderdoener.
Even later, toen de rust enigszins was teruggekeerd, bleek dat uit
de tuit van de trechter een onbevangen geest wegvloeide. Men
schrok, probeerde het nog te verdoezelen, maar een onbevangen
geest gaat nooit verloren, dat is tegen zijn ethische principes.
Sindsdien hebben mensen weer grote bewondering voor trechters.

Stil gesprek

Stereo, 2003, bewerkte foto

2003_stereo_bf

Witte bank

Kinderloos, dat zie je zo. En dierloos gelukkig. Hier is ruimte voor
muziek. Hier is praten belangrijk. Gesproken woorden roepen beel-
den op.
Het beeld vertelt een mooi schemerlicht dat de kamer insluipt. De
witte bank weerkaatst, maakt licht.
Dan:
Zij praat en wil dat ik ook praat. Op verzoek praat ik dus. Over hem.
Er ontstaat een soort ontmoeting (die we ooit in het verleden vaker
hadden). Zonder ons in te spannen praten we over alles en nog wat.
We raken elkaar in het onderwerp.
Zij geeft toe dat ze hetzelfde denkt.
Over hem dan. Altijd over hem.
We zongen elkaar een beetje toe die middag. Er was muziek uit het
stereo apparaat, een cd: in de verte aanwezige vogels in het bos
tijdens een wandeling. Heel kalm en rustig, passend in het huis.
Soms was het even stil, nooit lang, we zagen elkaar in de ogen.
Ze moet het gezien hebben: mijn twijfel, kwets ik haar niet?
Wellicht had zij dezelfde gedachte en voelde zich daardoor niet
gekwetst.
Om kort te gaan: we waren weer eens één met elkaar die middag.

Liefde

Verliefd konijn, 2013, boek 109, pagina 9

2013_b109_p1_verliefd konijn_k

Lust

hoe meer ik naar mijn lichaam kijk
hoe meer ik het bestaan voel
de betekenis voelt vol
en vreemd, ik ben verliefd
als een wild konijn, ontkennen
is zonde van deze tijd

verliefd en verteerd
van binnen, van buiten,
evenals tussenin,
ben ik vlees der kennis
kijk eens, de deur staat open
ik hoor onzegbare geluiden

al mijn verboden gevoelens
laten zichzelf uit
horizontaal, verticaal
de liefde in het donker,
nee, het lichtste licht
is als een verschroeide tong

om niet te vergeten
moet ik steeds opnieuw
het moment weer openen
vaarwel, nee dag vochtig vlekje
de wortel van mijn leven
is het houvast van alle jaren

mijn horloge geeft,
blaast geen uren aan,
ze vergeet, ontlucht
mijn hele vel brandt
of dit dagdromen is
weet alleen het bronstig konijn

Ego

Leeg gezicht, 2013, boek 111, pagina 49

2013_b111_p49_leeg gezicht_k

Moederhart

Mijn vader zei over haar ze is een godin die bovenin licht naar
binnen schenkt. Het leven kwam bij hem zo op gang en versmal-
de haar. Hij was de boer die in haar melk verdronk en daardoor
de wereld kon afreizen. De kinderen hielden haar thuis.
Dit is natuurlijk wat dik aangezet, maar toen ik zonet de trap op-
liep rook ik de geuren van mijn dromen. Ik zou zo door willen lopen
om alvast de vlag op de nok te zetten. De geluiden aan de over-
kant houden me tegen. Ik tel de wijzers en ben ontwaakt en sluit
het huis waarlangs ik even raasde.
Ik ben er bij geweest, dat kun je horen, maar herinner me alles
scheef. De tijd maakt het rood geel, ik kan me hooguit nog wat
verwonderen over de vroeger wereld, toen het moederhart nog
dichtbij was. De nieuwe waarheid zegt al heel lang:
wacht, ik kom naar je toe…
En dan?
Dan druppel ik van vreugde. Nu, ooit zo zwaar bewaakt door mijn
andere ego, weet ik wat vrijheid is. Ergens in het bedauwde gras
zal mijn onschuld, naast de bange voeten, wel liggen.
Ik kus vandaag met mijn rozenmond zomaar een wildvreemde,
omdat er zoveel liefde is die naar binnen wil.
Dat laatste schreef ik op een reepje pakpapier, om het niet te ver-
geten.
Nu nog even doen.

Schimmig rood

Boetekamer, 2013, boek 109, pagina 75

2013_b109_p75+83_de kamer_kd

Zichtbaar

Maskers vragen niets in ruil, maskers zijn ruimdenkend. Ze geven
een teken als teken. Daarna zijn ze weg.
Nu mijn masker verdwenen is ben ik een rat, die boete doet.
Ik ben hier.
Op mijn knieën buig ik het hoofd. Mijn eenzaamheid is met een-
zaamheid gevuld en dus niet langer eenzaam. Daarom knipte ik
een stuk haar af, het hoort bij mijn boete.
Ik ben slechts een schim van mijzelf verwijderd. Ik voel het. Ik
hunker ernaar alle restanten van me af te pellen om te zien waar
het masker eindigt.
Dit is geen feest, de grond verankert me. Ik ben onrein en het
spook koos mij uit. Hij wil me brandmerken, maar ik doe net alsof
ik er niet ben. Ik doe alsof ik in de laatste fase van mijn zijn ben.
Ik doe zoals je leest, zoals net beschreven is. Zo kan ik in het rood
verdwijnen. Het gezien is ongezien. Hocus pocus.
Daarna kan ik weer dansen op de drempel van onwetendheid of
onmogelijke dromen huilen. De straling van het licht zal mij daar-
bij helpen. Ik zal weer van het menselijke soort worden wat ik
ooit was. Het leven is geen gril. Het zal goed gaan met me. Een
engel weet me te vinden. Ik ben nog altijd sterk. Alle leden intact.
Ik ben hier en dat betekent iets.
Ik ben hier, was er altijd, zoals elk levend wezen.

(uit haar oud dagboek)

Fabel

Orange bird, 2013, bewerkte foto

Paolini_158

Stokpraat

Anna had naar het verhaal geluisterd zonder Kees ook maar een-
maal te onderbreken. ‘Dat verhaal verontrust me,’ zei ze tenslotte.
Kees vatte dat als een compliment op, hij wist dat het een goed
verhaal was. Anna vond dat helemaal nog de vraag, want waarom
zou verontrusting goed zijn? Omdat Kees zijn verhaal sensationeel
vond voelde hij zich nu licht beledigd.
‘Omdat het een soort fabel is, is dit een slecht verhaal’ ging Anna
verder. ‘En het gaat nog wel over dieren, nee, het is gewoon een
slecht en dom verhaal. Punt!’ Ze keek daarbij nogal boos.
Kees: Anna, het is een waar verhaal. Ware verhalen deugen altijd!
Waarom doe je nu zo boos en verontrust?
‘Dat kan ik je precies zeggen, Kees, omdat je de indruk geeft dat
het op de een of andere manier ergens op wijst en dus iets te bete-
ken heeft. Dat doen alsof irriteert. Er is niet genoeg over nagedacht,
het verhaal is nog te jong om iets te kunnen betekenen’.
‘Het raakt me niet’, mokt Kees, ”helemaal niet. Wat een onzin!’
‘En waarom niet?’ wil Anna weten.
‘Omdat het dan onze hele literatuur raakt. Al onze grote drama’s zijn
zo opgebouwd. Ik verkeer in het beste gezelschap. Echt’.
‘Dat kan zo zijn’ vervolgt Anna, ‘maar dat maakt het alleen nog erger.
Mijn verwijt wordt zo niet ontkracht!’
Er volgt een lange stilte of een stilte die men ervaart als een lange
stilte.
‘Ik vind alles maar overdreven’, laat Kees weten, ‘en doe er niets mee’.
Anna zwijgt eerst, zegt daarna: ‘Ik zie dat je jezelf al hebt geholpen
naar een betekenis. Alle werken worden onderweg geboren is mijn
stelling, maar  de meeste schrijvers laten ze daar liggen, zijn er juist
trots op dat ze nergens aankomen. Hun verhaal is bij voorbaat waar
en daarom zal ik je een verhaal vertellen…’.
Toen kwam er een relaas over honger, dood en de leedmagneet.
Kees verveelde zich snel, de langdradigheid droop eraf.
Hij ging ondertussen zijn vogel voeren.
‘Gefeliciteerd’, kraste de vogel vrolijk, waarop Kees stil glimlachte.
Daarna vertelde Anna nog een verhaal over een veelbetekenende tafel.
Het werd laat, te laat voor nog een nieuw verhaal.

Stof

Tijdelijk, 2013, bewerkte foto

2013_tijdelijk_bf

Expertise

In mijn hoofd gaat een waterval, mijn hart wordt nat.
Ik ben een spons, dat is een groot geluk. De meesleep klok doet
de rest. We noemen dit drift en daad, hier is geen plaats voor
zoete broodjes stroop.
De afdalende stof volgt grillig als een wilde, de neus van het heelal
snuift ons op. Als ik een wespentaille zou hebben zou die nu spon-
taan uitdijen, maar ik heb alleen maar dikte. Spoedig zal mijn hang-
wang wel zo lang zijn dat ik er dagelijks over kan struikelen.
Er ontgaat mij niet zo veel. Mijn ogen bedriegen me niet, daar
zijn ze veel te scherp voor. Ik zie alles. Bovendien houd ik van het
onderzoek. Van mens tot mens kan niemand zich hierover verbazen.
Ooit was ik uit een grot afgedaald en hoorde de schaduwklokken al
klingelen, ik was rond de zestig in die tijd, toen vouwde het hart een
vlam om mijn hoofd. Ik werd welsprekend vanaf die dag. Voortaan
zou ik alleen nog maar op gloeiende paden lopen. Vogels zouden
hun snavel houden als ik passeerde om tienduizend dingen in be-
weging te zetten. Waarschijnlijk zou de maan niet meer ademen.
Als ik zo voorbij liep reageerde het plantenrijk niet meer op het
licht.
Ik speel graag met de elementen, liever dat als andersom.
Mijn stem gaat ontgrenzend rond.
Ik dans.
Ik vlam.
Ik verdwijn tot ik doorzichtig ben.