Horloge tijd

De vrouw van de architect, 2014, tekening, A4

2014_de vrouw vd architect_k

Vormvast

vaarwel hemd van venus
wij zijn uitgeteld
liggen als dood
het nachtkleed deed
ons dalend stromen
horloge-tijd is pas morgenvroeg

vaarwel weelde, wellust
wij zijn uitgeteld
hijgen nog wat na
het  nachtkleed deed
ons open sluiten
warm en koud was één woord

Schijn

Phantom, 2010, tekening, A4

2010_phantom_k

De korte kant

Het was niet meer zoals vroeger, toen mijn mond nog een klein
bed was. Ik leefde nog in mijn eigen, kleine theater. In dat theater
zijn schaduwen zwarte macht. Het licht heeft nog geen bereik.
Daarna kwam de dampkring en de reislust.
Die reislust redde mij, ik stikte niet in opbloei.
Hoe vaak ben ik niet uitgevaren, hoe vaak liet ik mijn loodzware,
hese hartstreek niet achter. Hoe vaak at ik mijn zeebuik weer vol.
Je zult zeggen dat ik op een rare fantoom lijk, maar schijn bedriegt
wel vaker: ik lijk er niet op, ik ben het. Het is goed je eigen fantoom
te zijn. Het geeft je enorm veel ruimte.
Soms krijg je er de haastige hik van. Dan deed je van één ding twee
tegelijk. Je moet je beter concentreren, alhoewel alles hetzelfde is
bij de geweldigen. De hik is een waarschuwing, als je het negeert
krijg je grijze lippen en grijze lippen zingen te zacht voor de buiten-
wereld. Dan zul je sterven als een levende steen.
Eerst woonde ik in een poppenhuis van littekens, mijn twee karakters
brachten me elders. Zonder schuldgevoel, mijn toekomst is niet wetend,
zing ik vol verlangen. Zo is het vreemde begonnen. Zo wandelen mijn
ogen van daar naar daar. Mijn warmte is een balsem, men lust er wel
pap van, is mij verteld.

Neem de tijd

De ruimte, 2014, bewerkte foto

2014_De ruimte_bf

Spiegelen

Heb je een spiegel, dan heb je de ruimte. Je verdubbelt alles op
z’n minst. Een spiegel laat een deur ergens verschijnen waar hij
niet hoort. In een taal van schoonheid is de nieuwe ruimte meer
dan menselijk. Bovenmenselijk, zonder het spraakgebrek van de
diepe schaduw is het gevangen zonlicht oogverblindend. Het oog
haakt even af om te wennen aan zoveel moois.
Neem de tijd.
Het eenzaam zoekende achterhoofd zal straks het licht kunnen
lezen en geen enkele liefde zal nog doof zijn. Dichters hebben net
hun poelen vol lelies gezet. Wie wil stralen moet gaan branden in
de goeie zin. Dan pas kan je de duisternis op je handen dragen
en komt de horror niet meer thuis.
Lichter dan het lichtste gezicht van een mens komt het voorjaar
in alle getijden. De dode akker wordt gewassen, de schimmel
blinkt, kinderen zingen voluit in de klas, warme vlekken ademen,
mensen smelten als verwelkte vlokken, het water fluit zijn eigen
lied.
Ondertussen trilt de wimpel van het geheugen

Elementen

Verlichte man, 2014, bewerkte foto

2014_verlichte man_bfk

Binnenman

Hij is net in zijn eigen grot afgedaald en hoort de klokken van de
schaduwen jammerlijk klagen. Zijn haard vouwt een vlam in het
hoofd en dooft alle andere gedachten.
De innerlijk gloeiende paden, langs de zwart bevroren beelden,
houden de adem van de maan even stil. Vogels kijken zwijgend
toe.
Alle tongen van de kwade wildernis hebben nu iets te zeggen.
Ginds is de bron van de tienduizend lippen, die zullen straks alles
in beweging zetten. In deze duisternis is deze binnenman een
eenzaam anker in een versteende zee, zijn grot.
Pas als het masker van de zucht is geboren komt het licht weer in
de ogen. Hij speelt met de elementen of beter, de elementen spelen
met hem. Zij ogen zijn omgesmolten tot stem en gaan onvruchtbaar
rond. Hij danst en verdwijnt om later zingend doorschijnend te zijn.
Alles is mogelijk. Alles is zo schoon als de hand die kan wuiven,
zonder naar afval te ruiken. Een andere krachtige hand houdt
het hart vast, zodat het niet hard wordt.

Hand

De nacht, 1995, bewerkte foto

1995_De nacht_bf

De hand

de hand gaat open
bij volle maan
de bedauwde mond
doet deemoed

wie het leven wil
wie het leven neemt
ziet het hartenlied
het hart is het gezicht
van je land

de hand gaat open
omdat wij genieten
wij zijn liefhebbers
van de open hand

wie de hand wil
wie de hand pakt
ziet meisjes vloeien
vrouwen zijn boten
op grijze rivieren

de hand is levend
en krijtwit

Rood

Rode waas, 2004, acryl, 110 x 80 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Plofkop

Hij vergeet. Hij is niet langer in de wereld. Zijn horloge staat stil.
Uren en minuten gaan stil voorbij. Hij wil vergeten, maar niet ver-
geten worden. Tegenstrijdige vluchten gillen door zijn kop. Het is
niet te stoppen, zijn hoofd loopt vol en staat op rood, wil ploffen.
Vervlogen zwervend speeksel maakt zijn mond droog.
Wie is deze man?
Zijn verloren hoofd is los van alles en staat boos. Overlappende
tekorten schieten wortel of flipperkasten ketsend heen en weer.
Hij maakt ruzie met iedereen.
Daarna lijkt hij weer rustig. De wietgeur verraad zijn angst. Kalm
gaat onze man de stad in om nieuwe rimpels te kopen, haar te
verliezen. Zijn opgeblazen kop proeft zout van de te veel uitgezette
visjes.
Hij is een rode pinguïn. Die houden niet van warmte. Warmte is
onzin. Liever wegvluchten van het vuur. Zijn hart is klein, te klein
voor liefde.
Maar dat wist je natuurlijk allang, omdat je een groot diploma hebt
voor waarheid. Jij hebt alles lief en omgekeerd heeft alles jou lief!
En als ik nu drie maal tegen de zijkant van mijn glas tik is dit verhaal
voorbij en allemaal onzin.

Maanman

Not the pale moon, 2000, acryl, 40 x 30 cm

2000_Not the pale moon_k

Bleke man

Een miserabel mannetje ziet zichzelf ontwaken.
Hij staat op met een verfrommeld gezicht, probeert rechtop te
staan. Zijn hoofd bonkt. Te veel gedronken gisteravond.
Pas als hij voorzichtig, in een traag tempo steunend zegt: Ik drink
niet weer, ik ga vroeg naar bed, zie je hem weer wat rustiger worden.
Natuurlijk gaat het hem niet lukken, dat weet hij zelf nu ook al.
Alles valt bij hem in het water. Hij is een waterman die drinkt.
Alles is de schuld van de bleke maan. De bleke maan maakt van hem
een bleke man.
Bleke maan, bleke man, man van niks.
Niemand zal zich om hem bekommeren.
Hij belt vaak ’s ochtends, dan is alles zo leeg rondom. Hij zou mooi
kunnen vertellen volgens eigen zeggen. En nog grappig ook.
Alleen belt hij niet echt iemand en niemand belt hem.
Alles is begonnen bij een kapotte liefde zegt hij ’s avonds in de kroeg.
Ze kennen hem, ze kennen zijn tranen en zwijgen of duiken op tijd
weg. Ze kennen het gevoel, maar willen er niet aan herinnerd worden.
Dan hadden ze net zo goed thuis kunnen blijven.
Hun ogen staan voor altijd op stille kerst.
Een vreemde, grauwe doodsheid hangt rondom.
Dit is de kroeg van de versteende vruchten.
Hier zingt man nachtelijke nozelliederen.
En de modder spat waar het wil.

Hand in hand

Negatief persoon, 2006, acryl, 100 x 80 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vol grijs

Op een koude Februarimorgen heeft iedere eik behalve kou ook
verdriet. Uit alle richtingen waait de scherpe wind, je weet het
nog vanuit je kinderjaren.
In een pijnbos, in het noorden, rommelt de aarde dwingend.
Iedere boomstam zoekt het licht alsof het een drank is. Het is van
het duister zweept de wolven op, terwijl het hart zich grijs huilt.
Hoor je dat?
Mijn geliefde wil dat wij hand in hand oud worden, maar zo lang-
zamerhand gaan we gewoon de winterslaap in. De nieuw geweven
tijd laat zijn doodknoop voorzichtig zien. Straks zijn we als een on-
voltooid gedicht in plaats van een roos van tijd.
Hoe grijs kan een mens zijn, worden? Hoe word je lid van de club?
Als je ogen altijd op stille kerst staan, ben je dan volledig grijs?
Ook als de vreemde, grauwe dode geur al aan je hangt?
Kijk maar eens flink rond, je hebt er zo een aantal leden te pakken.
Gooi geen bloemen op hun graf, ze willen steeds meer aandacht,
ze zijn zo onverzadigbaar als zware alcoholisten.

Ineens schrik ik wakker door de gong uit het oosten. Ik ga open
en klink nieuw. In de spiegel is dit ogenblik eeuwig, omdat mijn
poort altijd open staat naar zee. De zee van tijd.

Lagere school

D.D., 2014, bewerkte foto

2014_DD_bf

Jaren vijftig

Ik kan me gelukkig prijzen dat ik de leefwereld van de jaren vijftig
nog weet. Mijn lagere schooltijd van toen staat messcherp in mijn
geheugen, het was tenslotte de heftige tijd van veel opbouw.
Oudere kinderen zongen over de snee van Doris Day, iets wat ik toen
kinderlijk vertaalde in een kleine, bloedwond ergens op haar lichaam.
Kusje erop en dan weer verder spelen. Seksualiteit speelde toen nog
geen enkele rol bij me, ik moest nog verder ontwaken.
Geen enkele rol?
Nou ja, ik kende de verliefdheid vanaf de kleuterschool, was nooit
zonder. Waarschijnlijk was ik zelfs wat populair bij de ontluikmeisjes
door mijn mateloze fantasie en fysieke kracht. Zo versleet ik jaar
op jaar mijn verkeringen.
Soms vraag ik me nu nog af waar iedereen terecht is gekomen.
Zouden ze allen nog leven? En vooral: zouden ze nog wel eens aan
mij denken? Dat moet wel. Het moet een onuitwisbaar iets zijn om
van dichtbij met mij om te gaan. Ik kon toen al van niets iets maken.
Ergens doet het nu denken aan een oud (puber) gedicht van mij:

mij

fris mij
fris
mij
is mij
waar ga ik
waar ben ik
men mij
letter mij
fris mij

Foto

Oude vlam, 2014, bewerkte foto

2014_oude vlam_bf

Bekentenis

Voor mensen die niet kunnen spreken zijn kleren een soort van
taal. Dat ervaren ze als heel prettig draagbaar, het is een toneel-
stuk dat ze overal bij zich hebben. Alles zit als het ware in hun
eigen foedraal. Ze ervaren het niet als iets tweede rangs.
Het leven veranderen in een toneelstuk vinden ze niet gezond.
Mensen van de grote wereld doen dat allemaal anders, zij hebben
eerst een beeld van de zee voor ze de zee zien, zij lezen eerst
over de liefde voor ze liefde bedrijven. Goed belezen en bewapend
mengen zij zich in de massa en de maneschijn  doet de rest.
Over maneschijn gesproken:
Toen ik een jaar of twaalf was wandelde ik eens bij maneschijn met
een clubgenootje door de min of meer verlaten straat. Alleen de
straatlantaarns volgden ons met steeds inhalende schaduwen.
Zij was ietsje ouder dan ik en ze zei: “Ik hou veel van jou, maar ik
weet niet welke gevoelens jij voor mij hebt”.
Het klonk wat plechtig in mijn jonge oren, maar ik was zeer verguld.
Dus antwoordde ik:’ Ik ben…buiten mijn moeder ben jij de enige die
ik heb”.
Dat sloeg in zag ik, ze was diep onder de indruk. Ik ook. Aangenaam
verward is prettig nieuw.
Zo’n moment is onvervangbaar.
Telkens als ik er aan terugdenk ben ik ontzet, temeer omdat ik de
waarheid sprak, niet loog.