Duo

Pillow Talk, 2010. A4 tekening

2010_pillowtalk_k

Twee is één

’s avonds zegt ze me,
vandaag bekeken,
koffiedik gelezen,
dat iemand,
een uitpuil iemand,
mij achterna zit

dat wil zeggen
ze vertelt het me
een bril man
ziet mij, wil mij
opgehaalde neuzen
weren alles af

zien zonder bril,
half blindstaren,
bedenkingen gladgestreken,
de zinsbegoocheling
vermindert zienderogen
ik ben alweer jij

Beet

Hand, hoofd, 2009, computertekening

2012_hand_hoofd_ct

Zachtjes

De kamer is als een zachte zee, zij kabbelt rustig voort. Er is rust.
Het bed heeft een soort kwallenrug. Jij staat daar vlezig.
Mijn nagels drijven zich in je algenhemel.
Ik verwarm ons.
Ik metsel mijn armen in je.
Jij zei dat je een wrak met een roestige buik was, maar daar merk
ik niets van, geen beschimmeld ijzervlees, geen dode vissenogen.
Je leeft wel degelijk! We zijn geen ingeslapen lijken, we weten wat
liefde is en doen wat stervelingen moeten doen. We ritselen elkaar.
Onze halzen worden roder.
De zon druppelt uit onze  ogen.
De op elkaar geklemde tanden laten lieve, zachte beetjes achter.
Ik zeg dat je uitgekleed water bent. Je glimlacht, weldra kronkelt
ons pad. De levende slaap wil nog lang niet komen.
We zijn zo zingend, horen de zee fluiten in het donzig tapijt.
Deze dag heeft een pauwenstaart.

Tijd

Fool on the hill, bewerkte foto, 2014

2014_fool on the hill_bf

Tijd om tijd

In mijn schaduw staat diegene wiens schaduw ik ben. Dat zag ik
als kind al (schaduwen haalden me zelfs in). Het schaduwbeeld
wiebelt zachtjes met zijn hoofd alsof hij bijna een nee wil zeggen.
Het hoofd is niet meer wit, maar kleurt naar rood, ja, hij is ietwat
ontstemd of houdt zich enorm in. Ik kan amper door mijn spleet-
jes zien.
Achter mij staat degene die mijn schaduw is. Ik ondersteun zijn
rug. Dat doe ik graag, ik ben van nature een behulpzaam type.
Zijn lichaam zwelt op tot een grote, zwarte vlek. Hij zucht in de
wind, dreigt te vallen.
En nu zit ik in mijn gedroomde stoel. Ik kan helemaal ronddraaien
als ik dat wil. Een zuchtje wind brengt mijn hoofd aan het wiebelen.
De tijd wil de tijd pakken.
Ik wil de tijd pakken, anders pakt de tijd mij.

Klankman

Blooskop, 2014, computertekening

2014_blooskop_ct

Stof

B. wordt een denkende dichter genoemd. Dat komt omdat hij
door critici zo benaderd wordt. Het is gewoon bedachte onzin.
B. beschouwt zichzelf niet als een denker, integendeel, hij doet
maar wat.
Hij houdt ervan hoe alles klinkt, van wat er alom te zien is en
wat er in beweging wordt gebracht. De diepte moet in de meta-
foor zitten. Dat is wat anders dan alleen maar denken. Als hij
wat mazzel heeft komt het concept vanzelf boven drijven, zegt
hij. Pas als ik tevreden ben schrijf ik het op, zegt hij ook.
Verder legt hij niets uit. Geen zin in. Laat de lezer het zelf maar
uitzoeken. Bootjes in het donker doen. Daar heeft hij het graag over.
Bootjes die in het donker bewegen en ongezien langs elkaar varen,
dat is de kern het leven, beweerde hij onlangs nog. Dat gaat over
hoe wij leven, het is verbeelding en uitspraak over het leven.
Anderen vinden het meer de wansmaak van een vermoeide dichter.
Dat kan ook natuurlijk. Wij zijn vrij om van alles te bedenken, dat
is beschaving.
Ook zegt de dichter tegen deze mensen: “Laat mij met rust, ik kom
van een andere wereld. Ik wil daar best iets over zeggen, maar dat
wordt zo slordig, dus schrijf ik liever een gedicht”.
En dan komt hij met een regel als kleur de schaduw, dat zou alles
moeten verklaren. Oh?
Wat moet je met zo’n man?
Dan kan je net zo goed zeggen dat iedereen naakt als een steen is.

Note: het schijnt dat de dichter graag de draak steekt alles.
Een zekere baldadigheid is heel nuttig.

Geest

Saskia (beledigd), 2008, acryl (overgeschilderd)

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ontstemd

ze riep de wolken weg
uit haar dreunende film
bijna ontkomt het vlinderen
het deinen drift voort
hier is geen houden aan
de ergernis is langs geweest
en bedierf het vergezicht

ze strandt, is uitgelezen
een dikke druppel
hangt aan haar hart
de waarheid danst hondsdol
hier is de blinde doof
het bierschuim
hangt wuivend aan het glas

ze kronkelt uit iedere naad
seconden rollen rondom
haar roodkokende ogen
knipperen niets los
hier voorziet het etterbeest
een hoger weten
in de geest

Andere wereld

Betere ik, 2013, schets

2012_betere ik_k

Trap

Op een nacht sluipt zij de trap op. Het is een hoge, bijna steile trap.
Veertien treden werden wel achttien. Zij zei tegen de trap kraak niet,
anders kraak ik terug. Daar was de lange leuning het mee eens en
dus hoorde je niets. Bovengekomen liep ze naar het dakkapel aan
de voorkant. Gaf zichzelf vergunning om het raam te openen.
Adem in. Adem uit. Fris.
Tot zover alles goed zul je zeggen. Vanaf de overloop stort het klein
geslagen licht zich een weg naar buiten. Kijk uit.
Een vervelende vleugel irriteert haar.
Ze zoekt een bijl. Het harmonische gedonder moet maar eens af-
gelopen zijn. Maar dan grijpt haar betere ik in, zij bedient als een
charmante assistente het pedaal. De muziek trilt vol zang uit alle
snaren. Kankerende inzinkingen sterven weg. Geen enkele terts
krijgt koppijn, geen enkele scherf jankt nog na. Steeds verder
sterft haar irritatie. Er is zelfs sprake van een weggeraakte stilte
in haar. Alles frommelt zich tot een ritselende prop, die zich later
ontvouwt in het verdwenen huis.
Wonderlijk kan zoiets soms gaan.
De vleugel mag blijven.

Omzien

Nieuwe start, 2013, schets

2013_b110_p11_nieuwe start_k

Tijdsgeest

zie maar liever niet om
dan is het water breder
het verleden, niet handelbaar,
is onderweg

de tijd geeft, leeft
dan weer dit, dan weer dat
de toekomst, onwetend,
is onderweg

zie maar liever niet om

Kier

Opgehangen ruimte, 2014, bewerkte foto

2014_opgehangen ruimte_bf

Andere ruimte

De ruimte had een vage en griezelige vorm gekregen. Het voelde
wat overdreven, die slappe omlijsting. Bovendien werd nu ruimte
tussen de dingen daardoor groter en klonken de geluiden geschei-
den op de één of andere manier. Alles wat je hoorde hield abrupt
op omdat ondertussen de tijd werd afgebroken.
Toen kwamen zij en hij, alles werd warmer, terwijl de hitte rondom
zelf koud bleef.
Ik stond op een kier afstand, in de andere kamer en zag hun hoop-
volle houding. Terwijl zij zo aanwezig tegen elkaar schreeuwden,
had ik mij meer als bloemblaadjes in de kelk gesloten en trok me
beschaamd terug in verreweg de verste hoek.
In de ontstane compositie van de ruimte kwam een ander verband
dan iets als platte vlakken. Je zag dat de grote ruimte alles brak.
Daarna deed ik de vensterluiken dicht en was de rust weer gekeerd.
Een grijnslach verdween en droogde op als het levenloze slijm van
een naaktslak. Het glinsterende snot van het subject stelde niks voor.

Zo kan je van alles beleven op een druilende zondag.

Voor R.D.

Blauwe hemel, 2014, computer tekening

2014_blauwe hemel(voor R.D.)_bf

Naderende lucht

Vandaag ben ik me bewust van de lucht. Dat weet ik omdat
er dagen zijn die ik niet zie of voel omdat ik in de stad leef.
Dus nu ben ik met mijn hoofd in de wolken en zie ik geen
enkel gevaar. Ik onderzoek mezelf en herken niets. Het maakt
me nieuwsgierig, ik heb blijkbaar boven al een wil.
Daarvoor deed ik nog niets wat nut had, verspilde ik mijn tijd
met het warrige interpreteren van niets. Die kleurloze droom
bracht opnieuw niets.
Wolken…ze zijn mij.
Dat is de lucht en mijn ziel zonder glimlach.
Geef mij de wolken en de dag zal geen einde kennen.
Bovendien: in het zicht van de haven ziet men de naderende
kaden. Een hele opwinding en toekomstige troost voor de handen.

Denken is ondanks alles meestal handelen.
Alleen in de absolute mijmering, waarin niets actiefs zit, daar alleen
kan een volledig afzien van alle handelen worden bereikt. Het is een
heerlijk wegzinken in een soort warme modder.
Misschien is dat het moment dat je jezelf even kan zien als de natuur.
Je kijkt naar je indrukken als naar een open veld en voelt je wijs.
Dit is natuurlijk maar een theorie (uitspatting).
Of het leven goed of slecht is weet ik niet.
Ik wil er niet eens over nadenken.
In mijn ogen is het een verrukkelijke droom en wat kan het mij
schelen wat het voor een ander is?
Het leven van een ander past mij toch niet.
Verder ben ik nooit te oud voor mijn gevoelens.
Ook mooi.

 

Enig, echt

Zo veel, zo weinig, 2002, beweert tekening

2002_zoveel -zo weing_bfk

Legende

Volgens de kunstenaar staan legenden niet alleen voor een geestelijke
houding ten aanzien van dingen, maar ook voor de energie van de
natuur. ‘Die legenden zijn het enige echte, dat we op aarde bezitten.
Ze gaan over belangrijke dingen in het leven: de vrouw, de bergen, de
zee. Ze zijn de bergen, de bergen bestaan en zijn echt. Alles wat een
mens zegt of doet is specifiek en heeft te maken met een bepaald his-
torisch moment, maar de legenden blijven en leven voort’, beweert hij.

Volgens mij zijn legenden veelal plaatsgebonden en dus is het niet
verwonderlijk dat voor deze kunstenaar de omgeving, de plaats van
afkomst, van groot belang is. Hij gelooft dat de mens erin wortelt en er
niet los van kan raken. Zodoende wordt het een projectie van iets dat
uit hemzelf komt. Hijzelf is net zo veel als zo weinig van alles rondom.
Dit proces is vooral goed te volgen in de meer dan honderd kunstenaars-
boeken die hij sinds 1987 maakte. De voorstellingen appelleren aan
collectief onderbewuste beelden van angst en dreiging en hebben te
maken met de rol die hij aan de angst toekent om er vat op te krijgen,
om hem te bezweren en de toekomst te redden. Het is volgens hem
één van de belangrijkste algemeen menselijke gevoelens.
Tenminste ik denk dat hij, die kunstenaar,  zo denkt.