Geest

Achter de berg is daar de appel,1996, tekening, 50 x 65 cm

Doorkijkje

Ik kom graag iets te weten over geesten. Niet dat ik er maar iets
mee opschiet. Misschien wel niets zelfs, mijn interesse is waar-
schijnlijk niets meer dan zuivere nieuwsgierigheid.
Maar hoe kom je aan dit soort kennis?
En wanneer is het de beste leeftijd om er mee te beginnen?
Het is een zoeken naar de speld in de bekende hooiberg, waarbij
er nog een extra handicap is ingebouwd: je kan alleen maar loeren
door een sleutelgat, waarbij je op moet passen voor de tocht.
Ook vraag ik me af of mensen langzaam aan tijdens hun leven al
geest worden en niet pas na hun dood. En worden geesten ook
ouder? En is dat dan per dag? Voor het gemak ga ik er maar vanuit
dat geesten bestaan, anders heeft dit verhaal geen enkele zin.
Geesten kun je niet zien. Ze bestaan voelbaar. De geest zit in de
geest of volgens anderen in de fles en daar moet hij dan vooral
blijven, anders zadelt hij je ook nog eens op met grote zorgen. Dan
is de geest een beest. Volgens mij is de geest niet groter dan een
lichtpuntje.
Als hij dat haalt is het op zich al een wonder.

Vergrijzing

Dog does not eat dog, 2009, acryl, 80 x 80 cm

De vrije hand

Hij weet niet meer wat er vooraf is gegaan. Echt niet.
Het zeurt al de hele dag in zijn kop.
Waarschijnlijk is er sprake geweest van nieuwe onzekerheden.
Een onaangenaam vacuüm volgt dan snel.
Even later valt het woord ‘vergrijzing’. Een heel naar, niet passend woord.
Een soort oude, vage zwart-witfoto daalt op hem neer.
Thuis is nu even ver weg.
Zulke toestanden duren nooit lang. Bovendien, als dat wel het geval zou zijn,
zou je het niet eens herkennen. Zo snel passeert de tijd je.
Onverhoeds en tegelijk dient zich een groot gevoel van geluk aan.
Zoiets kan je niet van te voren bedenken. Je zou het hoogstens misschien willen.
Een paar momenten lang kun je er even van genieten, daarna rest alleen de
herinnering, die tenslotte weer even grijs oplost in de toestand van ooit en te
voren.
In geluk woont ook een vernielende wekker.
De tijdelijke tiktak is net kunst: het is anderen laten voelen wat wij zelf voelen,
hen bevrijden van zichzelf door hun onze eigen persoonlijkheid aan te bieden voor
hun bijzondere bevrijding.
Zoiets, maar dan heel anders, stelt hij zich voor bij iets dicht benaderen. Als de ver-
warring en de onrust slaapt gaat de emotie vrij vertalen om je een zuiver leven te
geven. Het is constant op zoek naar de verloren kinderjaren.
Hij heeft de sleutel van de deur en liegt niet.

Telefoon

Geleend gezicht, 2012, bewerkte foto


Door het vlees

Ik bel naar een vriend, maar zijn zus neemt op en gooit de hoorn op de haak zodra
ze mijn naam hoort. Ze weigert met me te spreken sinds ik haar per ongeluk naakt
zag. Nou ja per ongeluk, ik deed voorzichtig een deur open die gesloten was. Het
is al vijf jaar geleden. Hoelang kan het vlees boos blijven?
Ik zeg nog net dat ik het later nog wel een keer zal proberen, het bellen dan, maar
ik hoor alleen een droge klik. Ik ben niet gewenst.
Uit verveling en ergernis speelt mijn maag op. Het is een heel concert. Pas als ik
andere kleren aantrek gaat het over. Ik durf nauwelijks te ademen, probeer aan
wat anders te denken en zuig mijn eigen warmte op. Dat helpt ook. Ik zuig mijn
geest vol positieve dingen, even geen oude narigheid meer. Niet meer verbranden
aan de telefoon. Ik zal mijn vriend een brief gaan schrijven. Dat is beter en ook
nog  leuker om te krijgen misschien.
Toch blijft er iets spoken.
Ik vraag me af hoe lang het duurde voor de zus van mijn vriend zichzelf mooi
vond. Want dat is ze. Ik vraag het aan mijn levende lijf en waarom ook niet?
Hoelang was zien niet weten? Misschien is zij ook wel zo’n dichterlijk iemand die
zegt: wanneer ik niet ben, ben ik de mooiste klanken, ben ik een vrolijk aange-
spoeld lied.

Ik ruim mijn vieze kleren op, doe ze in de groene waszak en snuit mijn neus.
Deze dag kan opnieuw beginnen.

Puber

Hortensia Boy, 2012, bewerkte foto

Rond de vijftien

De verkering is nog jong. Hij heeft een zee tussen zijn armen. Is als aarde. Zij is de
haven. Als het stormt legt hij zijn armen als een eiland om haar heen. Zij vind hem
een huis om in te stranden. Daar is een bed nooit te veel. Laat staan een tafel of
stoel. Eb en vloed gaan hier gewoon voorbij. Daar heb je ramen voor.
Daar staan ze dan. Ze zijn te jong om te weten, doen alsof droogbloemen volop
bloeien. Hun tafel heeft nog wankele poten. Hun brieven kleven als honing.
Waar eindigt dit?
Waar eindigt dit??
Waar eindigt dit kunnen ze niet weten, maar het eindigt wel, dat is zeker.
Ze zijn vijftien en duwen het pedaal stevig in. Zij grommen, zij glimmen,
zij zijn nerveus. Zij dansen op knetterende beats. Hun snelheid laat vage strepen na
Een onzichtbare hand duwt en trekt hun samen. Zij ontdekken bekende postzegels,
die ouderen al lang laten liggen omdat ze te dubbel zijn. Zij lachen vertederend,
zoenen nat. Hun lijm droogt niet op. Nog lang niet. Tongen haspelen voorzichtige
aftastwoorden, bevruchten het binnen. Vragen staat vrij. Voelen ook, al is het nog
er langs. Ze spatten net niet uiteen. Alles is in orde.
Zij trekt hem de struiken in. Het zonlicht verraadt alles. De stilte is luid.
Hij geeft zich over aan zoveel grootsheid. Lippen voelen voor het eerst echt als
lippen.
Dan is daar de nacht die alles wegpoetst, ze moeten apart naar huis. Nemen lang
afscheid. Zijn fietsbel klinkt nog lang door de straat.

 

 

Mirakel

Waterbloem, 2012, bewerkte foto

Die dag

Het mirakel komt eraan. Nu moet je niet wegduiken.
Het beste kun je dan doen alsof je een spontane niesbui krijgt. Ondertussen snuif
je de mirakelkriebel mooi op. Die zal er niets van merken, jij bent de enige getui-
ge. Je blijft stilstaan.
Spoedig zal de straatmuzikant langs komen om het wonder nog meer glans te
even. Hij zal ongestoord twee violen tegelijk bespelen. Op zich ook een wonder.
De melodie zal feestelijk  als een wingerd via je benen naar boven slingeren en je
oren binnen stromen. Je hoeft geen geld te geven. De muzikant is rijk van zichzelf.
Pas als de regen toeslaat is alles verzopen.
Naast je schieten andere mensen snel voorbij. Je moet weg vandaar, je zoekt je
woonblok. De meehollende massa braakt je uit aan de ingang van je portiek. Je
loopt de trappen op en sla de deur achter je dicht. Je kaken kleven van opgedroogde tranen.
Wat is dit voor een dag?

Dankbaar

De terugblik, 2010, tekening, A4

Vreemde man

Hij was een Einzelgänger zei men. Eenzelvig, onbereikbaar.
Men praat wel meer onzin. Hij was gewoon gelukkig met zichzelf
en schreef mooie brieven voor zijn hoofdkussen:

Jij, die diep in mijn woud bent geweest en gevochten hebt met mijn
vocht, jij verdraagt mijn vluchtige dronkenschap.
Puur uit gewoonte laat jij mijn ogen iedere nacht weer sluiten.
Daar ben ik je dankbaar voor, dat weet je, want ik gehoorzaam je.
Geboren uit lichte veren en dons lig je graag onder mijn hoofd.
Soms omhels ik je of sla je in vorm.
Nooit zeg ik je naam, dat is te gevaarlijk, het zou mij wakker houden.
Jij beveelt, dus ik volg en slaap mijn slaap.

Steeds werd het briefje onder het hoofdkussen gelegd.
Altijd was het ’s morgens weg.
Klaas Vaak is een rover.

Alter ego

Zekere angst, 2008, boek 99, pagina 87

De andere ik

Een ander begrijpen is een illusie, niemand begrijpt een ander. We zijn immers
eilanden in de levenszee. Tussen ons stroomt de zee, daarom zijn we voor altijd
gescheiden. Hoewel eigenlijk iedere inspanning om meer van een ander te weten
ergens zinloos is proberen we toch. We willen een schaduw pakken.
Beter kun je tevreden zijn met wat er is. Jezelf begrijpen is al moeilijk genoeg.
In dit verband is kunst erg belangrijk: het heeft waarde omdat het je weghaalt bij
iedere waarheid. Je wordt beloond met iets nieuws en dat voelt fijn.

Over dit onderwerp hoorde ik laatst op een opening van een tentoonstelling iemand wat rond-filosoferen.
Hij wist zogenaamd niet of hij wel kon voelen, denken of zelfs bestaan. Hij was
niets en niemand of  volgens eigen zeggen heel misschien een zinloze, rond-
slingerende, onverkochte spiegel.
Ik dacht nog zijn hart is er niet bij, maar hij meende het echt. Dus vertrok ik
plotseling als een vlieg vanaf een stuk papier, ging naar buiten voor veel frisse
lucht. De witgroene lucht trok een donker en gemeen gezicht. Het zou spoedig
gaan regenen. Ik vertrok.
Buiten hoorde ik mezelf mompelen: Ik bezit mijn lichaam niet. Hoe kan ik er dan
mee bezitten?
Soms begrijp je je eigen ik niet.
Dan ben je weer helemaal  illusie.

Eindelijk rust

Gal, 2010, tekening, A4

Vreemde gedachte

Zij loopt sneller terug dan ze kan denken. Wil naar haar kamer gaan, aarzelt en
loopt door. Haar wandeling brengt haar uiteindelijk naar een park waar doodse
slaap heerst.
De steeds smaller wordende lanen laten de dode schoonheid, slaperigheid van de
stenen banken zien. Ze rilt en probeert het verdriet weer te voelen waarmee ze
over hem droomde vannacht. Ze verlangt.
Het lukt haar niet. Eindelijk rust. Ze is alleen en kalm. Dit zou een goed moment
zijn om je te bekeren tot een godsdienst, maar niets trekt haar naar boven, ook
niet naar beneden. Ze bestaat en dat moet voldoende zijn.
Eindelijk rust, ja een rust, een grote kalmte, zachte en nutteloze rust. Het lijkt
alsof alle gelezen bladzijden werkelijk leeg gelezen zijn. Er is niets meer te zien.
Alles is vage schemer. Iets omringt zichzelf met zichzelf.
Zij is een dromer. Zij heeft het geld om een dromer te zijn. Haar triestheid is
omringt door comfort en luxe. Zij peinst ziekelijk in een voorouderlijk kasteel.
Onzichtbare butlers doen de rest, zij dragen zorg voor het huis en voedsel.
Ineens krijgt ze een heldere gedachte: een mens mag zijn gezicht niet zien, anders
had hij op meerdere plekken ogen gehad. Misschien is je eigen gezicht zien wel
het meest vreselijke wat je kan overkomen.
De menselijk ziel moet zich voorover buigen om gebukt zichzelf in het water te
kunnen zien. Dat bukken moet wel symbolisch zijn.

Later thuis gooit ze alle spiegels stuk.
Even weet ze niet of ze nu is afgedwaald of niet meer weet hoe het moet.

Verloren blaf

Lovers, 2012, computertekening

Als de liefde liefde is

Ik droom en ben dus niet. Ik droom dat ik niet ben, gewoon voor de grap. Ik
droom dat ik eet en drink terwijl ik slaap. Ik droom voor jou. Als dat geen liefde is
dan trap ik een deur in. Een deur waar achter jij zit, zodat we voor altijd bij elkaar
kunnen zijn. Dat droom ik.
Mijn dronken oog is te sterk voor mijn koppig oog. Ik schrik er zelf van. Dus doe ik
rustig aan. Naarmate mijn oog beter ziet wordt alles rondom steeds bonter. Het
lijkt wel een driedubbele goocheltruc.
Soms voel ik me te onbeweeglijk om te kunnen verlangen, terwijl je juist zo dicht-
bij bent. Onze ongelovige ogen vliegen wild op en neer tussen angst en hoop. Pas
als we onze borst ontbloten stroomt het wederzijds geluk. We geven de maan gul
melk. Een enkele hond blaft verloren.
De volgende dag:
Alleen wat vlinders bleven wakker, terwijl de zon aan het martelen was. Hoog in
de keiharde, blauwe lucht vallen vogels quasi te pletter. Vlak voor de grond
schieten ze weer grappig omhoog. Onder een brandende muur dartelt een
insectenwolk. Romantische jagers, met hun addersogen, slaan op de vlucht.
Ergens anders is vast meer geluk.
Ik ga liggen en bouw van mijn schouders een nestje. Voorzichtig legt ze haar hoofd
erin. Een korte winterslaap volgt. We zijn stapelvee geworden. We zijn smoor in
deze glanzende hoop van de zomer.
Als de telefoon rinkelt weet je dat de winter lek geprikt is.
Over onze wimpers glimlacht ze naar mij.

Dagboek

Ongeloof, 2012, computertekening

Beter van niet

Een oude antiquair hield niet van zijn gezicht. Daarom verborg hij
het meestal met lappen. Hij stonk daardoor uren in/uit de wind.
Het was ook niet erg hygiënisch, de vraatzuchtige natuur vrat zijn
etsende weg. De slappe lappen hingen er zodoende vaak doelloos bij.
Het werd tijd dat het licht met een oorveeg zijn ogen voorgoed ging
openen. Gemakkelijk ging dat niet, de man bleek een sterke geest
te bezitten.
Toch was hij niet echt alleen.
Vele vrouwen vielen voor deze viespeuk. Hij leste menig dorst aan
te grijze borsten en beschreef al zijn veroveringen in zijn rode, zwaar
beduimeld, dikke dagboek.
Toch waste deze oudere man zich wel degelijk, met veredelde zeep,
waardoor zijn dweepzucht nog helderder werd. Als later op de dag
de dansende martelmuggen zich te goed deden aan zijn nieuwe
viezigheid, bleef hij stoïcijns strak voor zich uit kijken.
Prik mij maar volkomen lek – scheen hij daarbij te denken.
Het deed hem zo te zien helemaal niets. De muggen taaiden dan
snel af, ze hadden er geen zin meer in, de lol was er totaal af.
De buurt wist echter wel beter: verdriet gaat in golven door het
leven, nooit is het bad te diep – wisten zij – en muggen komen
altijd terug. Altijd!
Gelukkig vertelden ze hem die wetenschap niet. Het was beter
hem met rust te laten, anders zouden ze iedere dag veel last
krijgen van zijn hoge toorn. Hij kon namelijk flink fonteinen in
keurig koeterwaals en andere prietpraat.