Pijn

Old dream, 2012, bewerkte foto

Het vertrek

Mooie mensen mogen op de heuvels rusten, is een oud ge-
zegde. Dat kan zo zijn, maar waarom eigenlijk?
Kunnen zij zich niet een beetje schikken en anders doen?
Ik zou die uitzondering niet willen maken, mooie mensen
hebben al zo veel extra. Als het regerend hart het lichaam
af en toe herinnert aan het monster wat daar ook woont,
zou je zeggen dan heb je geluk. Het lijf hoort af en toe te
grommen, anders wordt het lui.
Al te trots op eigen gebaren lijdt tot niets; mensen gaan je
haten. Tenslotte sterf je eenzaam.
De deur gaat dicht, de deur gaat open. Schaduwen komen
ongevraagd binnen. Men zegt dat mannenschaduwen alleen
in de winter voorkomen, die van de vrouwen pas in de zomer.
Maar waar is dan de schaduw van een dode? Overschaduwen
die vervolgens alles?
Toen ik een tijd geleden hinkend met beide benen naar mijn
geest liep, kreeg ik het Spaans benauwd. Een pijnlijke borst
wilde bijna niet ademen. Alles deed zeer. Het duurde lang.
Pas toen ik even op de heuvel ging rusten ging het gevaar
wonderlijk weg. Je bent dan blij dat je blijft leven en trekt
gauw een kostuum van kleurige klanken aan. Ik was ontwaakt
uit mijn sluipziekte en had even een schimp van de vervuilde
schepping gezien.
Daarna kwam het nieuwe leven aanzetten en bloeide mijn
lichaam weer.

Bijzonder

Mothers Darling, 2012, bewerkte foto

Vreemd kind

Als kind was hij al onverschillig voor vormen. Zo zei hij al
vroeg, als kind van vijf, zonder mond is de wind volmaakt.
Zelf begreep hij ook niet wat dat betekende, maar het
maakte zeker indruk en dat was op dat moment genoeg.
Alles bleek toch al erg voortvluchtig te zijn, dus dit kon er
nog wel bij.
Later kreeg hij medelijden met de vallende herfstbladeren.
Ze kregen wijnvlekken en vielen zomaar af. Een complete
vloercorsage was het gevolg. Het bos kleurde en geurde.
Als veel later in de winter de sporadische zon over zijn
gipsen gelaat scheen, dan voelde hij zich scheel van dich-
terlijkheid worden. Dan schitterde zelfs zijn zijden shawl.
Zijn geheugen weigerde te slapen, was nooit verslindend
leeg. Het vergeten vlees, zijn familie, vond dat nogal ver-
velend, er kwam te veel boven drijven. Hun souffleurshok
had geen enkele betekenis.
Hoe dan ook, als je als kind vreemd wordt gevonden blijft
het altijd aan je hangen, al wordt je honderd jaar. Het klin-
kend zweven houdt nooit op. De salvo’s van gekwetstheid
hinken door.
Gelukkig wou hij graag offerblok zijn, wat op zich eigenlijk
een vorm van liefde was.

Herinnering

Algenman, 2012, bewerkte foto

Hangend werk

Hij leeft solitair, is moeilijk te benaderen.
Alle bewoners uit zijn straat beschrijven hem als een zonder-
ling. Hij is een echte, eigengereide Einzelgänger.
Ze weten alleen van hem dat hij een grote ansichtkaartenver-
zameling heeft. Meneer Porecs wil daar niet over kwijt. Het zou
hem kwetsbaar kunnen maken. De verzameling, alles op alfa-
betische volgorde, is van hem. Voor zijn hongerig netvlies.
Hoe je ook aan zou dringen naar een glimp, je krijgt niets te
zien. Echt niet. Het moeten ondertussen dozen vol plaatjes
zijn.
Het zijn zijn herinneringen, die laten zich niet mededelen.
Alles over zijn leven staat er in, zo kan hij niets vergeten.
Vaak bladert hij de collectie doortastend door, knikt en mij-
mert even voor hij verder gaat. Alles is van groot belang,
ook het stilstaan.
Een paar dingen wil hij misschien nog even kwijt. Wat harde
feiten. Bijvoorbeeld dat er een keertje bij hem in was gebro-
ken. De insluiper had al zijn kleren meegenomen, terwijl er
toch meer waardevolle dingen voor het grijpen waren geweest.
Zoals zijn kostbaar talent.
Ik hoor mijnheer Porecs soms rare geluiden maken. Ze gaan
dwars door de muur. Onplezierige, schelle kreten. Vooral in de
nacht. Misschien is hij ziek of de weg wat kwijt. Het zou zo
maar kunnen, hij is niet meer zo jong. Hij herhaalt vreemde,
zachte zinnen zoals: “niet repareren” of  “ga weg zelfbenoemde
engel…”
Nu ik dit opschrijf zit ik te denken dat ik hem nu al een maand
niet meer heb gehoord of gezien. Wat te doen? Zou die ergens
dood liggen?
Ach, meneer Porecs is een bescheiden mens, dus dat zal zijn
stilte wel verklaren.
Even later:
Ik blijf het toch wat eng vinden dat zwijgen van hem, maar doe niets.
Nog niets.

Lui

Zwarte maan, 2012, acryl, 70 x 70 cm

Stukje nacht

De straat is donker, het is nacht, dampt als een hete neger.
De maan stoot matglas uit, het is koud, decembermaand.
In de stad kraken de slaapkamers. De ontstelde oren van de
buren maken overuren. Dit is hoe het is.
De nacht is altijd mooi. Hij houd van de nacht. De nacht her-
haalt de dag niet, zij schept als de geschubde lijster slaapt.
Hij maakt een tekening, de inkt zet aan en springt wild. In de
hals van de pen zit een afwachtend gedicht. De uit gewoonte
drinkende dichter moet nog opspringen en verder doen. Zijn
stoel draait al zenuwachtig. Als hij niet schrijft krijgt hij een
boete of een hechtenis van minstens zeven maanden. Zo voelt
hij dat.
Zijn tamme gids is lui, te lui om uit zijn graf te komen. Hij
kijkt blauwblauw en denkt er over om rozen te gaan kweken.
Maar ook dat is hem te veel werk, rozen zijn nog al gevoelig,
kwetsbaar.
De dichter doet een kiezelsteentje in de mond, laat zijn mond
rammelen. Het maakt hem high. De boosheid in zijn stem zal
spoedig klinken. De wereld is een beerput vol stinkende en-
gelen. Onderaardse bomen worden daar getoond. Aan elke
pisbuis hangt een priester die de urinevaten aanstampt.
De dichter raakt op gang. Zijn schrijvershand is geen staak-
engel. Laat de wereld rustig stinken, zijn zijden kousenvoeten
zuigen alle kreten op. Hij kijkt als een klimop overal in. Zijn
doornenogen boren door. Het heelal wordt volgerammeld.
Ik ben een woord, schrijft de dichter, ik ben buitenissig.
Dat wisten wij allang.

Geaard

Man, titel, 2012, schets

Breinwerk

Geen tekening ontvouwt het brein. Alle wijsheid is maar schijn.
Onze handen laten de huid rillen, ogen uitpuilen als we niet ont-
spannen zijn. Maar hoe zit het met onze hersens?
Iemand zei eens kwaad dat de hersens van een ander bestond
uit badzand of kolengruis. Eén van die twee. Kies maar.
Hij wilde beledigen maar die ander was niet onder de indruk en
vond hem een man zonder titel. Mannen zonder titel zijn hele-
maal niks. Zwaar hunkerige mannen zijn het. Zij wonen in wan-
kele huizen.
Ondertussen slaapt de slaap in de zware schaduw.
Ieder stukje papier is een vage waaier in een hoge hemel. Het
lichaam van de titelloze man ligt achter het schild van de scha-
duw. Zijn voeten omarmen de muur in plaats van de muur te
kussen.

Kijk ik ben een man waarbij de vloer gelijk staat met de voeten.
Ik ben geaard, niet onbezonnen, nog lang niet klaar. Mijn heldere
snaren brengen rust in de ruimte. Mijn blijdschap lakt iedere pijn
af. Mijn snor zit vol roze tranen. Als dat niet beschaafd is weet ik
het ook niet meer. Dan kan ik niet meer lichtgevend en zingend
door het leven. Ik ben een lichtschikkind vanaf mijn geboorte.
Zo zie je maar, iedere keel heeft zijn eigen profeet. Alleen de
klamme kleurt zijn eigen dronkenschap als een roepende op een
rots.
Vandaag verplaats ik mijn bergachtige heupen naar de blanke
avond. Ik heb er zin in. Mijn twijfel laat zich niet opdrukken.
Dit wordt geen allemandag. Ik heb alle vonken en vlammen al
aangeroepen. Ik ben helemaal ruimte.

Drijven

Zeedenken, 2012, schets

Varen

mijn vriend zong
meesterlijke geluiden
van gevonden poelen
zingende mensen
zijn vlekkeloos

mijn vriend zong
als een wensster
terwijl zijn bootje wegdreef
zingende mensen
letten niet op

mijn vriend zong
zich stromend verder
snel leeglopend
tussen alle sterren
zingende mensen
wonen overal
overdrijven overal

Zwijgzaam

Leeg hoofd, 2012, computertekening

Neutrale man

Zoals de minnaar bij zijn meisje blijft zo blijft zijn gezicht
neutraal. Er valt niets te lezen. Ook niet als de reis vochtig is
en de coupé leeg.
Toch is zijn gezicht niet versleten. Hij heeft gewoon geen
gezicht. Zijn kop is schotvrij of wie weet te helder. In het
licht van de menselijke stilte val je niet zomaar op. Pas na
werkelijke wellust puilen de grote ogen uit en voeden de
nekharen gewillig iedere huivering.
Hij weet wat stil is. Zijn zwijgzame lippen vlammen niet.
Anderen doen welsprekende daden. Hij is meer een door de
zon gewonde steen. Alleen het vloeistoffijne meisje kan hem
laten zingen. Dan komt hij even uit zijn stoffige tombe. Dan
laat hij vogels los van zijn lippen, waarop de ogen gaan luiden.
Zijn dode deur heeft even geen kramp meer.
Lawaaierige wimpers gaan klinken als fluwelen harpen.
In de fontein van het voorjaar heeft ieder zijn nest.
Later, als de overhand heerst en de echo’s bomen vangen, is
het stokstijve leven weer begonnen.
Dan is zijn gezicht weer wenkwolk geworden.

Lokstem

Heavy hand, 2012, computertekening

Hoop

In het land van de doorgemergelde sterren viel hij nog al op.
De warmte van zijn danspas liet zichtbare sporen  na. Zijn
lippen verraden een laaiende lokstem.
Ooit kwelde hij iedereen met zijn helder licht, nu danst en
kruipt hij het liefst in het duister donker. Zoals herten zich
uitrekken boven het hout, zoals een havik de lucht vangt, zoals
het licht de vissen laat blinken, zo beweegt hij zich op aarde.
Het is een groot genot. Alleen de kikker schrikt in de bek van
een ander.
Deze dichter, nooit gesloten voor dromen, keert alles het liefst om.
Dan leeft hij pas. Zwijgen zou waakzaam zijn in de mond van de
zonderling. Helder en onbuigzaam is zijn geest. Hij breit langdurig
aan zijn eigen nachthemel. Zijn lust kent geen rust.
Kijk, zegt hij, stilte is een spatie tussen de mensen. Boos en wie
weet ook duizelig, weet men even niet wat te doen. Hij zal je niet
in stilte kunnen verlaten, zijn handige hand is daarvoor te warm.
Aan de andere kant: tussen lichaam en lichaam breekt en beeft
het leven.
Er blijkt altijd enige hoop te zijn. Die kruisdanst al langer dan
ieder leven. Zelfs als we even stil zitten. Hoop verlaat ons niet
in de stilte, het praat altijd in hongerige herinnering.

Zuiver ijs

Piëta, 2012, computertekening

Smart

Zij heeft een vuile blik op zuiver ijs, haar ogen staan op melk-
wit. Zij is half blind en kan prachtige verzen rijmen. De klinken-
kende zinnen dansen in het nachtlicht als motten voor de lamp.
Eens was zij het troeteldier van een dwerg, maar die vertrok
ineens. Ging de blote natuur in. Hij was uitgeraasd.
Vanuit de verte denkt ze nog wel eens aan hem. Meestal lelijk,
ruw. Ze wenst hem een erge etterende infectie, zodat hij dui-
zend doden sterft en uit smetvrees niet eens begraven wordt.
Ondertussen vonkt versleten band met hem nog uit haar vel-
gen, terwijl de uren voortrazen. Potscherven van oud geluk
klinken door de verlaten straat.
Pas als alle gedachten de streep van slaap hebben gekregen
is ze vrij. Geen zoeklicht zal haar nog kunnen vinden.
De vlekkeloze maan verschijnt door de morsige wolken.
De haard is gedoofd, de as uitgestrooid.
De tuin uitgeblust.
Ze slaapt de slaap van gemis.
Ze droomt dat ze niet weet waar ze moet staan. De groepsfoto
is al gemaakt. De vergane jaren komen niet tot bedaren. Ze is
weer een nette slet met als bruidsschat slechts een kleine
schaamlap. Ze voelt zich bekeken.
Hoe erg moet het worden, hoe ver moet het gaan?
Pas als de kraaien gaan fotograferen, foto’s van haar maken
voelt ze zich thuis. Tussen de krantenknipsels en vergeelde
brieven zit haar uitgebakken leven.

Had je maar naar je vader geluisterd.
Had je maar niet naar die dwerg gekeken.
Had hij je maar niet aangekeken.
Nu kan ze hem niet vergeten.

 

 

Ingedikt

Stille man, 2012, acryl, 70 x 70 cm

schets

Grijze dag

Zijn tong kuilt in de mond, er zit vuil aan een kies. Buiten is
het grijs en grauw, iedere kleur heeft zijn betekenis verloren.
En dan verbergt hij zijn kin bijna in de keel als hij zijn woor-
den beheerst inslikt. Hij ziet het niet, hij is mist.
Het mooiste weer maakt van deze stille man geen stralende
man. Zijn aangenaaide neus ruikt iedere vreugde op grote af-
stand. Hij duikt weg, zijn spiegel is verzadigd.
Het van buiten grijze gezicht is smetteloos. Vermoedelijk is
de binnenkant turf of een andere breuk van de rijke aarde.
Zijn hut moet wel een treurwilg zijn. Overal hangt de schaduw
van een zuiplap. Nee, dit is geen schoon hoofd. Dit is een half
hoofd op een benard levenspad. Vol wrevel zegt het niets meer.
Zijn schedel is een opgezette pens, zijn ogen zijn weggerold.
Dit hoofd heeft met opzet net genoeg huid voor iemand die zich
net uitrekt.

Vroeger losgeslagen, nu in de goede handen van de schrijver,
spreekt het weer met ingedikte woorden. De instincten wor-
den aangeboord en opgezocht. Op zoek naar geurige kreten
en warme kleuren.
Het horloge wordt gelijk gezet.