Leeg hoofd

Dove man, 2012, computertekening

Leegte

De woorden in zijn hoofd zijn verdwenen. Er was te veel ge-
zegd. Iets hield hem uit de slaap. Het lege beest kroop onder
zijn huid.
Soms doezelt hij licht weg om daarna weer met een schok
wakker te schrikken. Hij weet niet waarvan. Slaapkamerkleed-
jes spreken niet. Eenmaal wakker wordt hij onrustig.
Hij kruipt uit bed, niet zoveel later.
Beneden ligt de hond, Wolf, rustig te slapen. Hij wel.
Toch voelt het beestje dat zijn baas er is. Hij strekt zijn voor-
poten, geeuwt zijn bek, schudt krachtig zijn kop met een
klapperend geluid alsof zijn botten rammelden.
Het baasje hoort niets, hij is doof. Al heel lang. Wolf weet dat
en waakt alert.
Heel lang keken ze elkaar aan. Wie doet de eerste actie?
Beide de tong licht uit de mond/bek. Nu geen tanden laten
zien, nee, het is nog niet nacht.
De dove man zit in de stoel. Handen op de stalen buizen van
de leuningen. Hij verdeelt zijn aandacht tussen die handen en
zijn hond. Die weer lijkt te slapen, de grote hondenrug rijst en
daalt bij iedere ademhaling. Soms doet Wolf kort één oog open.
Er is niets, hij blijft onder het bureau liggen, aan de voeten van
de baas.
Zo blijft deze dag leeg verder gaan. Onze man hoort het niet.
Het geluid van de dag is niet aan hem besteed.

Rode bloei

Ice-cream, you scream, 2010, acryl, 40 x 50 cm

Plaatselijke liefde

Soms is het noodzakelijk je te schamen voor je eigen volk. Je
bent het verplicht. Soms volstaat schaamte voor één persoon
ook. Met wat orde en vrede verdien je daarna hopelijk weer
van vrijheid.
Als de lucht zijn/haar hand naar je uitsteekt, wordt verwacht
dat je daar op ingaat en die hand stevig vastgrijpt. Dat moment
is kort en dun, je ziet zomaar de hand over het hoofd en dan is
het voorbij. Het hoofd gaat gloeien, het is te laat voor herstel.
Ook de brug van het gesprek komt dan niet meer op gang.
Maar zie: overal bloeien de papavers (als kind las ik papa vers,
als een soort hartenwens). Die rode bloei past mooi bij je opge-
wonden wangen. Met nieuwe scherpe sikkels loop je naar het
nieuwe graan. Het kan je niet schelen of alles genoeg gerijpt is.
Zelfs het onkruid gaat er aan.
Je jonge lippen gaan vaneen na de schemer, ze zoeken en vin-
den andere jonge lippen. Je kijkt voorbij alle verlatenheid. Je
bent gelukkig en iedereen mag dat weten.
Pas toen je de diepte van je droom kon peilen, met behoud van
alle mooie woorden, kwam het trage uur terug.
Toen nam je een zacht ijsje.

Fleurig

Junior Blossoms, 2012, schets

Jong en bloemig

Het is gezien. Het is te zien.
Duizend bloemblaadjes met de blik van fluitende teenagers
wandelen graag buiten. Extase, daar gaat het om. Het leven
is fantastisch! Tenminste als je niet leeft als een vermoeide
oliebol. Jeugdige smaakjes smaken naar meer, oude blaadjes
willen altijd meer, ondanks hun slinkende lollykop.
Alledaagse goden vergeten soms de afgrond die zo dichtbij
groeit. Zij rekenen onverstandig op de droom, die al spat bij
het verschijnen van het eerste beeld. Onze vrijheden worden
vaak zo goed gespeeld dat het godvergeten echt lijkt.
Opgeblazen tot een gewenste grootte krijgt de stem steeds
meer lucht. Zo lijkt alles voorspoedig te gaan zonder afzeggers.
De droom is een vriend of hoort dat te zijn.
Je leeft.
Zeg nou zelf, wat is een vriend zonder vrijheid of lach?
Ik voel me weer helemaal jong en bloemig met een winnend
paard onder de reet.

Natrap

Geen hond, geen stok, 2012, schets

Late zon

Hij geeft het water een forse natrap, maar alle windstreken
stoppen niet met hun bestaan. De gulzigheid van de natuur
gaat gewoon door. Altijd. Om gek van te worden. De snelle
zonnestralen van het zuiden branden zich een weg.
Zijn stem wil sterker zijn dan de heftigste regen maar klinkt
meer als de zachtste sneeuw. Een cipres begon uit afgunst
wonderlijk schoon te zingen. De natuur houdt van verrassin-
gen.
Hij is een ziener. Zijn ogen vallen nooit dicht. Hij spreekt ook
als een ziener in het hoofd en wandelt mompelend zijn holle
weg.
Hij geeft het uitzicht een naam, waarop een hond hijgend op
hem af komt. Vlak voor hem komt hij tot stilstand. Ze kijken
elkaar recht in de ogen, onderzoeken en penselen zachte
woorden naar elkaar. Beide moeten glimlachen voor zo ver
dat kan. De spiegels van sterke verbeelding zien wel vaker
vreemde dingen. Wat vreemd is wordt gewoon.
En als hij de hond mag aanlijnen blaft zijn oor. Het oor blaast
de haren langs zijn grijze slaap, over zijn voorhoofd. Het voelt
prettig. De hele zomer is prettig.
Ik krijg trek.

Na-sis

Kunstkus, 2012, bewerkte foto

Mooi moment

Ooit ben ik in het huis van de engel geweest. Dat is een ander
woord voor museum of art. het is een krachtige, stille plek
waar aandacht nog aandacht is. Je vindt er mooie mensen
die niet snel schrikken van glasparels om de hals of uiteen-
gereten vleugels )met zorg versneden door de moordenaar).
Er zijn vaak een heleboel vrouwen onder deze hemel. Ze rit-
selen flink met hun dijen. De echo van de ruimte doet zijn
best. Mannen verslikken zich bijna in eigen adem.
Ik hoor iedereen lentegroen lopen. In mijn oren klinkt het
als muziek. Muziek hoort bij het huis van de engel. Hier wap-
peren dode wimpels. Ovale blikken worden verzonden. Men
schijnt niet op elkaar te letten. Schijnt, want niets is minder
waar. Je wordt ontkleed waar je bij staat.
Een vrouw stond bij de wand van het oosten. Ze boog zich
licht voorover en kustte een werk met een kruis erop. Dertig
ogen volden het, meer bleven stil. Alleen de oogtanden waren
licht aan het tandenknarsen.
Ik raakte de jonge vrouw licht aan zoals katjes dat alleen
kunnen doen. Zij murmelde een soort nachtelijke jazz terug.
Het heilige haar waste daarna onze voeten
Het was met recht een mooi moment.
De herinnering zit samengedrukt rond de oostmuur. Als je
goed hoort hoor je het nog nasissen.
Soms moet je alles geven om echt te leven.

Decemberpraat

Kleurige weg, 2012, bewerkte foto

Intensief moment

Het dunne jaar van het stof is bijna ten einde, het is Decem-
ber. We voelden het aankomen, we voelden dat het moest.
Andere jaren deden er niet meer toe.
Misschien is het besef te danken aan grote vermoeidheid of
misschien sliepen we te lang. In ieder geval zijn we nu klaar
wakker en niet eens wanhopig.
Toen de uren zich nog vermenigvuldigden met niets doen,
was de dag lang en ook ineens voorbij. Het slapen, de hele
dag, ging zonder onderbreking gewoon zijn gang.
En nu, na de plompe gang, ben ik op de juiste weg en heb
mezelf weer lief. Dat wou ik je even laten weten.
Een beek van kleurige vruchten stroomt tussen mijn benen.
Ik hoef me niet te bedekken, de buren zijn wat mij betreft
dood. Het stromen wekt mijn lente. Ik mag er zijn. Ik ben
aan de beurt. Er is geen ontsnapping mogelijk.
Zo is het altijd geweest in mijn huis. Drie kamers vertelden
wat je moest doen. Alsof het een wet was, zo streng was
het dictaat. Uiteindelijk kwam ik dan in het verlichte bed
onder het raam. Ik voelde altijd de wind in de nacht, waar
het wapperend zwart nog trager is dan ikzelf. Jaren vlogen
mij snel voorbij. Ongrijpbaar supersnel.
Niets onaangenaams snuift nu nog in een donkere hoek.
Iedere dag, ieder moment wordt intenser.

Oude emotie

Vaarwel, 2012, bewerkte foto

Afscheid

Een oude emotie verplaatst zich van de ene naar de andere
kant. Het heeft een bedoeling. Het onderwerp moet van het
Stompzinnige zuchten volgen gelaten.
Maar daarna is het feest. Alle venster gaan wild open. Er is
nieuw licht, de slapeloze nachten zijn voorbij. Ook de akelige,
fluitende wind is er samen met de krakkraktak snel vandoor
gegaan.
Er is weer grote rust.
De emotie staat in het teken van de neutrale pauze, is geluk-
kig. Hij weet hoe het bed warm moet blijven en houdt zijn
mond, luistert niet naar de taal van anderen.
Ook de verveelde oogopslag vindt geen actie.
Alle stomme woorden glijden weg naar niemandsland.
De emotie rust uit en zegt vaarwel.

Je bent te laat gekomen. Voordat je kwam is er zoveel gebeurd.
Nu sta je voor me en herkent me niet eens.
Je geeft me geen warme hand.
Ik heb werkelijk alles geprobeerd om je te bereiken, maar nu je
tegenover me staat weet ik niet meer wie ik heb achtervolgd.
Vreemden zijn we geworden.
We kunnen elkaar niet opnieuw verlaten, we zien elkaar niet.
Je bent niet gekomen. Jij bent niet meer jij.
Andere werelden dienen zich aan.

 

Potkachelpraat

Complete me, 2012, schets

Slechte kunst

Op de laatste tentoonstelling tot nu toe worden schilderijen
en tekeningen meestal samen met teksten gepresenteerd.
De kunstenaar mag graag duiden, niet voorzeggen.
Het publiek kan zich zo beter inleven denk hij.
Het publiek heeft daar juist grote moeite mee. Zijn wereld
is hun te klein. Ze vragen zich af of het samengaan van zijn
schilderijen en tekeningen ook stilzwijgend kan. Dat zou de
concentratie bevorderen.
En zo ontstaat er min of meer een realisme-debat. Echt iets
van deze tijd. Alhoewel we ook weten dat iedere tijd zich al
te graag wil herhalen.
Wil de kunstenaar eigenlijk nog wel als kunstenaar beschouwd
worden? Een potkachel of een gloeilamp brengen hier geen
uitkomst. Dat was vroeger misschien nog zo. De expositieruimte
is nu meer een soundstudio geworden.
Vandaar die lawaaierige teksten. Terwijl het publiek op zoek is
naar geluiddempend materiaal zet iemand een bankje neer.
Door zijn laagheid lijkt het nog het meest op een katholiek be-
klaagdenbankje, een biechtbank dus.
Het publiek mag daar neerknielen en zich laten gaan.
Wat is nu de rode draad in dit verhaal?
Kunstenaars en publiek zijn ondoorschijnend met elkaar ver-
bonden. Zij kunnen niet zonder elkaar en hebben beide hun
eigen wettelijke voorschriften. Stilzwijgend in functioneel verband
gaat ieder zijn eigen weg. Elkaars verlengstuk wordt helemaal
niet erg gevonden.

Dunk-dunk

Het lege midden, 1997, acryl, 80 x 80 cm

De tegenstem

Onze meester is een bedeesde man. Hij wil schroomvallig zijn.
Zijn hoofd hangt meestal ietsje schuin naar beneden. Een soort
lichte onderdanigheid hangt aan zijn nekje.
Hij leert ons lopen en uitkijken voor doodlopende wegen. Dat
is niet niks, daarmee kom je een heel eind. Ook zegt hij dat
je van de nood een deugd moet maken. Dat is ingewikkelder.
Er zijn veel vallende trappen onderweg. Met de trouw van een
hond komt het vuur vanzelf, zegt hij. Je moet gewoon jezelf
blijven al springen alle ruiten om je heen.
Maar hoe moet het dan als je hond een dood beest blijkt te zijn?
Dan moet je maar een kermisgeschenk zoeken, zegt de meester.
Hij heeft makkelijk praten, wij hebben op ons galmend jachtter-
rein veel last van de rode, nietsontziende oostenwind. Die is
echt hard en bazelt alle onze wensen neer. Onze wind hoort
mierzoet te zijn, mierzoet als schlagermuziek. Als ons kruis aan
een kermisgeschenk hangt is het moeilijk leven.
Wij vrezen dus onze ondergang.
Onze meester moet niet zo bedeesd of schroomvallig zijn. Daar
hebben we niets aan. Dan is er van alles te weinig. Het mindere
is gelijk veel. Het maakt ons onzeker en dan worden we willoos.
Wij willen voorbij sterk staan. Geef ons een goed huis en vrucht-
bare winden, dan gooien wij al onze jonge stemmen hoog de
lucht in.
Hoor je het krakelen al van de brekende takken?
Alles wat eens heeft gekropen komt nu wild aangevlogen.
Wij jagen op het eerste licht en gaan de wereld stropen.
Wij drukken op de dunk-dunk-knop.
Duizend knopen springen los.

Blauwsel

De vlag, 1995, tekening, A4

Oude geest

Bij toeval vond mijn oude geest een blinkend licht uit het ver
verleden. Je moet maar geluk hebben, het maakte me blij.
Alle verwaarloosde hekken hoefden niet meer te bekvechten
met de roest, zij waren weer fris geverfd.
Dat is het mooie van terug in de tijd gaan. Dwars door de lucht
is je adem opnieuw helder. Wormen zoeken haastig een uitweg.
Het verleden is vrij van alles omdat het al geleefd is.

Dus beklom ik de ether van deze geest, ik had honger, was be-
zeten. In mijn hand hield ik in een wapperende vlag. Een blauwe,
het symbool van abstinentie. Het ouderlijk huis dicteerde ooit
iets wat je nooit vergeten moest, al vond je het zelf iets bijkom-
stigs.

Iemand blies mijn gezicht aan. Ik werd een bron. Ik werd een
bron van liefde, stond er helemaal voor open. Je kunt er niet
vroeg genoeg mee beginnen voelde ik. Het oerwoud van nieuwe
beelden werd mijn eerste huis (ooit was ik ook zo geboren).
Lang gaf en nam ik, het was een grote ontdekkingstocht. Bij
liefde ben je niet leeg maar juist gevuld.
Ik had me aan de blik van de hete sneeuwklok gebrand. Vrij-
willig en graag. Ik verwachtte dat het nooit zou stoppen. Ik
wilde dat, maar de wind nam plotseling af en gaf loze leegte.
Zinloos speelgoed bleef achter.
Het was laat. Te laat voor de klaagmuur.
Ik sprak over nevel in die tijd. Nevel en toeverlaat.
Niet zolang daarna vond ik nieuwe tuinen en tastte ik in een
ander licht. Een mens weet altijd raad.