Raar

Zig-Zag, 2013 bewerkte foto

2013_zigzag_bf

Soms

Vandaag mag ze mee met vader, er is geen keus.
Als kind verdwijnt ze vaak in soms. Dat voelt naar. Zeker in de
lege uitgewoonde kamers  (met bloed bespat behang, muggen)
van haar ouders. Vriend en vijand lijken als een behaarde slang.
Dan is het raam naar de andere kant een uitkomst, al is daar een
rottende tuin.
In deze buurt, vol afwijkende wegen, zijn er meisjes die bezwijken.
Een boze ziekte, die Papa heet, pakt en grijpt. Het is hem opgedra-
gen, zegt hij. Het onpeilbare is niet te peilen, dat is de bedoeling.
Men moet stil zijn of stom om in de verte standvastig te blijven.
Als de man haar aanstaart met twee harde ogen wil zij lief zijn.
Lief voor hem. Verloren en bedrogen kijkt ze al weg voordat ze
kijkt.
Thuis is niet thuis, daar zitten de stoelen aan de tafel. Daar tellen
de eenzaamste stenen de muur. Daar zijn geen schitter-sterren.
Daar is alleen de nageurende navel. Daar is het altijd nacht.

Nog zo jong en dan al een bevlekt verhaal.
Als een kind moet zigzaggen is dat afwijkend.
Een kind moet kind zijn, dat is voldoende.
Boze ogen mogen haar niet uitblazen.
Nu niet, nooit niet.

Huiselijk

Plant op tafel, 1969, olieverf, 80 x 80 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uit de oude doos

Dit werk stamt uit mijn begintijd, drie jaar afgestudeerd. Ik zocht
naar een banaal, lullig onderwerp en vond een plant op tafel. Dat
was genoeg om een helder, diagonaal gericht werk te maken. Als
een plat decor komt de voorstelling op je af.
Ik was er toentertijd zeer tevreden over. Het gaf mijn manier van
denken, gelaagd, aan. Die gelaagdheid is nooit verdwenen, het zal
mijn natuurlijke, grafische voorkeur wel zijn. Mijn diepte in twee-
dementionaal.
In het dorp waar ik toen woonde, waar een eerlijke suikerbakker
babbelde met een mopperige matrassenmaker, genoot ik van eigen-
gereide vrijheid. Er was niets verschrikkelijks in mijn leven, behalve
een niet voldragen kind dan. Dat laatste hakte er kort in, we kwa-
men er sterker uit. Bleven daarna bewust kinderloos.
Vandaar die plant op tafel?
Geen idee, mijn tastbaar geheugen heeft dit deel weggebleekt door
de goudgloeiende zon. Bedwelmende wolken deden de rest. In die
tijd bestonden er nog geen wachtwoorden voor opgeslagen bestan-
den, dus het is voorgoed verdwenen. Het zit in de volle pot met
hersenschimmen. Vele schraapogen zijn er langs geweest, niets
kwam helder boven. De plant heeft geen naam of mag geen naam
hebben.
Het enige wat ik nog van die plant weet is dat hij nogal dorstig was,
zo dorstig dat af en toe wat bladeren uit gulzigheid wegrotten.
Er bestaat naar mijn weten ook geen foto van.
Het is een historische plant. De tafel is doorgegeven.

Geheimen

Toenadering, 1991, acryl, 100 x 80 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Korte afstand

Even lijken we starende, blinde kinderen. Het bos een stijve spie-
gelkast. Net verdwenen uit de stad der zuchten zijn we hier aan
de bosrand gestrand. Mijn stem is achter de bergen gebleven,
haar hart klopt oneindig onder haar blauwe ooglid. Onze lippen
staan in een vraagteken. De onrust is nog lang niet gedood.
Het is zonneklaar, hier ligt de spanning uitgestrekt.
De korte weg wordt niet betreden, liever de onhandige, stille,
spannende omweg. Hoe langer het duurt, hoe langer we bij elkaar
zijn. Eén verkeerd woord of handeling kan alles gelijk bederven.
Liever lang gezwegen. Laten onze ogen maar praten.
Later:
Mijn geheimen zijn goed verborgen. Zelfs als de alcohol of de hete
zon alles opschudt. Ik schuif alles fluitend opzij, niemand hoort hoe
onze afstand steeds korter werd. De onrust werd gedood, dat moet
voldoende zijn. Als dat te droog brood voor een ander is, dan is dat
maar zo. In een paleis uit neuriën opgetrokken lach ik naar de volle
fluisterzaal.
Ze zullen zeggen, kijk, hij speelde met de elementen, maar dat is
niet waar: de elementen speelden met hem. Zijn ogen konden het
bijna niet aan. De ontgrendelde grond deed de rest. Alles leek even
doorschijnend te zijn.
Verspreid de wilde geruchten voor een uur, dan verdrijf je gelijk het
jubelende gejammer. Eerst struikelen ze nog over hun drempel
voordat ze volledig leeglopen.

Overgave

Schaduwschets, 2013, schets

2012_schaduwkus_schets

Dit is mogelijk, dit is een mogelijkheid

Laat de verwarring maar roepen in de straat. Mooi is het oog dat
nog ziet. Schoon is de hand die kan handelen, zonder te ruiken
naar afval. Als het hart niet te hard wordt aangepakt kan je lang
leven. Zo lang tot de verwarring voor de ramen danst.
Het is mogelijk dat hij de woorden weet van iets wat komen gaat.
In zijn slaap zal het verder gaan groeien. Zo gaat het bij hem.
Kniel en laat de tongen wild gloeien. De bron wil uit de lippen, er
liggen duizenden dingen verborgen.
Ons ontgaat zoveel, het kleinste oogbedrog is maar een vinger
lang in vuur en vlam. Bij ontdekking is hij al gesmolten, het is
zijn lot.
Maar hoezo ons/wij?
In mijn hoofd valt een waterval. Mijn hersenen sponsen het op.
Ik knijp die spons uit wanneer het nodig is. Zo ben ik altijd start-
klaar. Ik houd mijn kaarten niet op de borst. Daar houden feeën
en fabelvogels niet van. Liever laat ik de zon regenen en zeg dan
dat de zon aderlaat. Het maakt me blij.
In het warme zomerwater wordt mijn lijf weer koel. Ogen drinken
alles rondom gretig op. Het jonge vuur wakkert aan. Vreemd is dit,
ik weet dat ik op de glanzende aarde woon, maar ik voel het niet.
Ik leef in de overgave of  bevaar de wateren ervan.

Dagelijks brood

In het hoofd, uit het hoofd, 1996 – 2013, bewerkte foto

1996_in-uit het hoofd_bf

Voorschouw

Onder mijn muts, die als een mijter mijn hoofd masseert, kietelen
soms vreemde gedachten. Of eigenlijk is het niet echt vreemd,
want het kietelt er altijd. Ik heb een typisch dwarrelhoofd zonder
dat mijn huid het verbiedt. Heel wonderlijk en toch gewoon hoort
bij mij.
Als kind stond ik al stijf van de fantasie. Keek ik in de kolenkachel
dan zag ik echt een kop branden. Ik was er gloeiend bij als het
ware. De meest doortrapte spoken maakten mij niet bang, liever
kletste ik hardop, vrolijk vanachter een deur met hen. Was de vra-
ger, de aanhoorder en de antwoorder. Zeker in de schemer bij de
mei nachten als het licht langer werd.
Daarom past in het hoofd, uit het hoofd helemaal bij mij.
Als Jezus het bloed drinkt van de bruid dan drink ik mijn gedachten,
geef het aan rode mannen door, die het op hun beurt terug geven
aan de nooit te volle aarde. Ik denk dat de aarde dan meer tot zich-
zelf komt. De verlossende ruimten van de mens liggen immers voor
het oprapen.
Anderen vinden mij meer een verwarde wolk, die in een schietgat
van de lucht is geschoten. Die mensen moet je niet geloven, zij
weten niet beter.
Voor mij is het niet vreemd dat ik moet lachen als ik geen eten
heb. Even zo vrolijk kan je er zonder. Het dagelijks brood is niets
meer dan een gedienstig dier. Alleen de gekwelde spier van de
vampier heeft altijd honger (nou ja, goed, bij donker dan).
Kijk, als je driemaal wakker bent en droomt van iets moois dan is
er geen enkele maaltijd meer nodig. Dan is alles compleet. Dan staat
mijn hart op zonnestand.
En nu ga ik eten koken, ik heb honger gekregen. Grote honger naar
meer.

Oud werk

Eindexamenwerk, 1966 – 2013, bewerkte foto

1966_2013_eindexamenwerk Minerva_bf

Vrije val

Ik hoor een vallende man, het was een vrije val. Mijn ontwaken-
de ogen ontwaken nog meer. Ik neem niet alleen, ik geef nu ook.
Mijn huis is niet leeg, nu niet, later niet. Ik kan woorden tegen
mijn adem spreken, al zijn mijn haren nog niet dun of weinig, al is
mijn baard waaiervormig vlassig, al…ach…
Er geen twijfel mogelijk ik zing vanuit eigen lucht. Iedereen zal het
horen, ik ben niet meer zoals kaneel en als het je niet bevalt val
je af, ik schrap je van mijn lange lijstje.
Niet voor niets schrijf ik gedichten die gedachten zijn, niet voor
niets ben ik volmaakt. Ik vul mijn eigen gulzig dal. Dat geeft lucht
en weinig liefde is te weinig, ik kan niet druppelen, wel vullen.
Bij geboorte was ik van binnen al een god die neerzag op een
vruchtbare boog, de dood heeft geen schijn van kans.
Zoiets was ik vroeger toen ik afstudeerde aan de AVBK Minerva,
nu bijna vijftig jaar geleden (even aandikken).
En nu vraagt mijn oude hoofd: “Zo laat en nog zoveel vuur?”
Pure ijdelheid hoor ik iemand zeggen, maar het is waarachtig waar,
het kind in mij is niet verkookt tot man. Dus hoezo woordjes als
ach en och. Bij mij past meer eeuwig tijdelijk of ik dacht wat ik
dacht.
Als ik wederkeer, als ik nog wederkeer, zal ik dezelfde weg volgen.
In het webbig lichaam van deze tijd is dat een makkie.

Nachtstem

Mannentafel, 2013, computertekening

2013_mannentafel_ct

Zo is het maar net

Zo is het vreemde, zo is het begonnen. Ze zagen hoe de golf van
ontzetting als een vreemde wandelaar de nacht verliet. Wij, de
liefhebbers, gingen rustig door. De vrouwen waren al verdwenen
of vervoerd, een schommelende eenheid van late vijftigers bleef
achter.
De mannentafel was compleet. Meesterschap heerst rondom.
De bronzen mannen mompelen door, ze worden ouder per minuut.
En de dichter?
Die trekt zijn jas uit protest over zijn oren en fluit wat voor zichzelf.
Alle mannen denken juichend juist als de tapkast tapt. Hun monden
trompetten een laatste verovering, ze maken daarbij een fruitig
geluid. Ik denk nog wat een kalend fruit is dat. Maar zeg het niet
hardop, mijn hoofd gloeit zo al genoeg.
Dit bijna versteende fruit zal bij het luiden van de laatste bel, als
de tijd stopt,volkomen uiteen vallen. Niemand weet dan nog wat
meesterschap is. Tararaboemdiee, het is een wonder als men de
deur kan vinden. Die ligt ineens verstopt achter vallende heren.
De nachtstem heeft zijn gevaarlijke schaduwen vooruit gestuurd,
dieren nemen het over. De drankzucht hangt stijf tegen de muur.
Dan worden er nog wat vluchtige sleutels gewisseld. Men wil niet
weten hoe het afloopt.
Een dode perenboom laat takken vol stervende vlinders zien.
En de dichter?
Die roept staande de klinkende namen van de mannen al waren
het antieke knotwilgen. Zijn lippen trillen niet, hij weet wat hij
doet, hij is dichter. Het einde is nog lang niet nabij. Zijn drijvende
wijsvinger wijst wijsheid aan. Woorden van bedrijvigheid wrijven
hem warm.

Sikkelmaan

Wanneer wordt het dag?, 1993, acryl, 100 x 80 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

De nacht

Hij was raar met een krom hart uit een groene wolk geboren. Zijn
voeten stonden bijna verkeerd om, zodat het leek alsof hij steeds
terug wilde lopen. Het hoofd, zijn ronde kop, was zo leeg als uit-
getrokken ondergoed. Toch voelde hij zich vol, maar dan meer van
belofte. In een overmoedige bui zei hij zelfs: Ik ben de kleinzoon
van Plus!
Dat was natuurlijk erg overdreven, hij had zich ooit als mens wat
opgedeeld, maar werd nooit plus, hij bleef min. Al wat men schreef
over zijn geboorte, het enige wat waar bleef was de aanwezigheid
van de maan. Geen volle maan, slechts een sikkel klonk toen in de
nacht. Ze zeggen dat zijn moeder bij zijn geboorte stijf stond van
de manestralen en dat zijn hart daardoor krom werd.
Zijn wereld was de aarde niet. Het spiegelde niet. De zon sloeg al-
les plat. Het maakte hem zo bedroefd, dat hij een grondige hekel
kreeg aan het daglicht. Als hij lucht liet aderdalen werd het vanzelf
diepdonkere nacht. Dan kwam hij pas echt in beweging, het was
alsof hij van huid wisselde. Ook de praatjes kwamen spontaan en
vanzelf.

In het warme zomerwater stond de vroege maan. Zijn lichaam
bleef zo geelwittig warm dat je de koelte voelde branden. Het was
de tijd van verhalen van dood en liefde. Je wist dat de hete sneeuw
tegen de maan had gestaan. Je wist het, je voelde het. Maar niemand
zei wat.
Soms is het beter om je mond stijf dicht te houden, anders worden je
fraaie lokken zomaar walgelijk rattenhaar of kruipt het te veelpotig
ongedierte in je schaamstreek. Dan is de rust weg.
Op zo’n moment moet je niet verbaasd zijn dat de bleke maan-
aanbidder in een vlaag van heimwee je toefluistert: “Alle vlinders
van dit voorjaar slapen op Ameland”.
Daarna kan je gerust wakker schrikken en is alles weer normaal.

Gluren

Nachtwacht, 2013, schets

2013_nachtwacht_k

Tussen de gordijnen

“Wees vroom vrouw en scherpzinnig”, waren zijn laatste woorden
geweest. Daarna deelde hij zijn lichaam met de dood. Zo leven ook
de dichter en de liefde.
Zijn vrouw had echter andere dingen aan haar kop. Na zoveel doden
niets dan goeds, zegt men, maar zij wist wel beter. Zij was meer
van de hoop doet leven sekte en staarde dus niet naar beneden.
Haar hoofde wilde niet gaan hangen.
Liever trok zij een jas aan van suiker en schuim, dan zou de zon
waarschijnlijk van vreugde gaan huilen, waar iedereen dan weer
profijt van had. Bij haar kon je de sterren ruiken rond de zon. Zij
was een meisjesvrouw met bloemen in de mond. Boze ogen zag je
nooit in haar gezicht blazen. Zij kuste liever je voet.
Slechts één nacht bleef zij dodewaken bij haar man, dat was ze ver-
plicht na al die magere jaren. Het was een hele opgave, af en toe
moest ze, bijna dwangmatig, door de gesloten gordijnen kijken. Even
zien hoe het echte leven was. Hij merkte het toch niet. Zijn dode kur-
ken gezicht lag er stoffig bij. Zijn mond wierp soms nog vochtige, roze
belletjes, oude gassen zochten en vonden hun weg.
Ze had zich zwart gekleed, zag eruit als een voorzeggende echo.
Haar mond stond niet op memorie, dat zou veel te duister zijn, zij
wist dat haar ijzeren leegte nu was afgelopen. Ze mocht zich ver-
heugen en verder gaan ontplooien. De gierig slapende mannen
zouden spoedig één voor één langskomen. Dan zou ze in al haar
naaktheid gaan kiezen.
Dat was iets voor later.
Nu sprak ze nog geduldig met de lucht van de afgrond.
Ze was een soort vage, balkende fee, die naar de open plekken
zocht. Plekken waar de geest niet moordend was.
De hemelse wanklank van ontbinding was zo oorverdovend dat het
even stil leek.

Tik-tak

Suzanne, 1997, acryl, 80 x 80 cm (overschilderd)

MINOLTA DIGITAL CAMERA

De vrije hand

Zij weet niet meer wat er vooraf is gegaan. Echt niet.
Het zeurt al de hele dag in haar kop.
Waarschijnlijk is er sprake geweest van nieuwe onzekerheden.
Een onaangenaam vacuüm volgt dan snel.
Even later valt het woord ‘vergrijzing’. Een heel naar, niet passend
woord. Oud. Een soort oude, vage zwart-witfoto daalt op haar neer.
Thuis is nu even ver weg.
Zulke toestanden duren nooit lang. Bovendien, als dat wel het geval
zou zijn, zou je het niet eens herkennen. Zo snel passeert de tijd je.
Onverhoeds en tegelijk dient zich een groot gevoel van geluk aan.
Zoiets kan je niet van te voren bedenken. Je zou het hoogstens
misschien willen denken.
Een paar momenten lang kun je er even van genieten, daarna rest
alleen de herinnering, die tenslotte weer even grijs oplost in de toe-
stand van ooit en te voren.
In geluk woont een vernielende wekker.
De tijdelijke tiktak is net kunst: het is anderen laten voelen wat zij
zelf voelen, hen bevrijden van zichzelf, door hun onze eigen persoon-
lijkheid aan te bieden voor hun magere ik.
Zoiets, maar dan heel anders, stelt zij zich voor bij iets dicht bena-
deren. Als de verwarring en de onrust slaapt gaat de emotie vrij
vertalen. Het geeft je een zuiverder leven. Het is niet meer constant
op zoek naar de verloren kinderjaren.
Zij heeft de sleutel van de deur en liegt niet. Nooit.