Ariadne

Gespeelde verbazing, 2013, boek 111, pagina 30

2013_b111_p30_gespeelde verbazing_k

Prudent

Droog is het rondom haar mond. Er zijn al te veel letters, woord voor
woord, uit dat gat gevallen. Het matte gezeur van haar vaders stem
heeft waarschijnlijk voor altijd haar geweten verminkt. Zij kan alleen
nog stil, doof verder staren.
Ieder jaar, zo rondom de wisseling, blijft haar stem steken. Te veel
gedachten blokkeren haar stem. Zwijgend zit zij de pijn van haar geel
gapende rijkdom te likken. De pijn breekt haar niet. Nooit.
Toen ik haar zo op een afstandje zag dacht ik:
Waar zij strak staart sterft ons oog.
Jammer voor haar dat zij de oorsprong van ieder jaar op die manier
verliest. Dit eenzelvig malen vertaalt geen enkel woord. Stom blijft
stom. Zij zorgt ervoor dat wij blijven woekeren.
De ontraadseling…ach, hou maar op.
Hopelijk drinkt zij nog eens in het schemerdonker een beker leven.
Dan doe ik mee.
Dan kunnen we samen in de eeuwigheid verdrinken.

Ontbrekende tijd

Donker werk, 2014, computertekening

2014_donkerwerk_ctk

Op de uitkijk

De cirkel is rond. In het afgebeelde wordt de diagnose gesteld van
de uitholling van andere werken en andere weerspiegelingen.
Deze weerspiegelingen zijn geen utopische denkbeelden zoals bij
bijvoorbeeld Lissintzky of Mondriaan, die aan het begin van de eeuw
meenden dat hun werk gedaan zou zijn wanneer de principes van de
schilderkunst in de maatschappij verwezenlijkt zouden zijn.
Mijn werk is momenteel geplaatst in een wat dove afwezigheid. Ik
zie dat als iets tijdelijks en ga nog niet spreken over mijn utopische
toekomstbeelden.
Sterker nog: ik zie werk als plaatsen waarin de tijd ontbreekt.
Waarschijnlijk is het zo (hopelijk) dat mijn werk een uitzondering
betreft op het gangbare. Je kunt beter geen andere verbindingslijnen
trekken. Even minder belangstellend is beter op zijn plaats.
Vaak ervaar ik zoiets als het sublieme gemis. Het geheugen van de
verbeelding reikt niet zo ver.
Ik moet het voorlopig doen met een zelfverwijzende manier van
verbeelden, wat plaatsbepalend O.K. is.

Niets is veel

Droom, 2014, computertekening

2014_droom_ctk

Afdruk

Er was iets met hem. Je zag dat hij iets verloren had.
Het werd voor het eerst zichtbaar bij de lijn van zijn kaak.
Zijn kaak reikte verder dan ooit. Iedereen zag het, hij niet.
Als je het zou zeggen zou hij daar niets mee kunnen. Hijzou
verstrooid en glazig kijken, iets warrigs zeggen als: als je
horloge maar tikt onder de mouw van je jasje.
Je kreeg nooit echt antwoord of hoogte van hem.

Nu ik naar al mijn herinneringen zoek weet ik dat alles eigenlijk
vreemd is. Zeker achteraf. Pas in het donker krijgen ze kleur, dan
word ik niet meer afgeleid. Alle herinneringen worden dan ook
losser, alsof ik ze droom.
Misschien is dat ook wel zo. Of ik wil het zo.
Hoe dan ook, als ik me iets moois herinner dan zijn mijn stappen
zo licht dat ze nauwelijks een afdruk maken. Net genoeg om een
spoor achter te laten. Altijd met de zon mee.
Dan is alles zo mooi. Dan liggen de  schaduwen als splinters tussen
je tenen. Je zou er over kunnen struikelen als je niet oppast.
En nu draai ik me om zonder verder te kijken, zonder verder te
weten.
Het is mooi om niets te weten.

Vroeg rijp

Moonatlas, 2014, bewerkte foto

2014_moonatlas_bfk

Nachtman

Hij had er veel tijd doorgebracht. Vroeg zich nooit af wat er nog
verder in het leven was, omdat hij nu eenmaal slecht kon kiezen
tussen zijn vele ikken. Dus besloot hij zich op te delen en gesplitst
te functioneren.
De maan deed de rest.
Anderen vonden hem een vreemde man met vele tongen. Hij had
altijd wel iets te zeggen, gevraagd of ongevraagd.
Toch was hij geen patserige poespasverteller.
Als iedereen weg was veegde de schrijver alle weggedichte ikken
van de
tafel, voelde daarbij kort aan zijn strot, want daar zat zijn hart voor
de mond. Het was een zenuwtrek geworden. Opvallend genoeg trok
hij hierbij zijn eigen gezicht. Heel even maar. Te lang zou hen niet
goed doen, hij zou niet meer kunnen dromen en dan was zijn leven
waardeloos geworden.
Flarden van een droom kunnen hardnekkig door je hoofd blijven
spoken, alsof je het allemaal echt hebt beleefd. Voor opheldering
zou je dan je hersenschroef tot het diepste moeten aandraaien.
En dan weet je nog niks zeker omdat je weet dat er nog meer kan
zijn.
Hoe weet je de fantasie van de werkelijkheid te onderscheiden?
Die willen zich toch alleen maar vermengen!
Zo kan een charmant keffertje van een luchtbel altijd wel iets maken.
Hij doet dat expres, want hij is dol op goedkoop succes. Fortuinen
worden snel verdiend. Niemand neemt een speld om door te prikken.
Zo kan het gebeuren dat hij roem krijgt.
Omstreeks zijn dertigste is hij een auteur van naam, zij het dat die
naam, afgezien van zijn toneelwerk, op niet meer dan twee boeken
is gebaseerd.
Hij: Nu wist ik op mijn vijfde al dat je een heel leven aan één of twee
werken kunt wijden….

Splinters

Achter de appel daar is de berg, 1996, tekening 50 x 65 cm

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aanvallende inval

Hij weet het zeker: alle gedachten zijn resten, splinters.
Gedachten of ander denkbrij zijn altijd tweedehands, het vooraf-
gaande is veel belangrijker. In en buiten het hoofd worden woorden versplinterd in de versnipperaars.

Hij weet het zeker: het gaat om de invliegende invallen.
In een periode van grote droogte laat het zich als een pluizende, parachuterende paardebloem willoos wegvoeren. Als een soort
nep, een plagende plagiaat, nestelt ze zich in jou.
Het enige waar de inval voor op moet passen is de aanval van de
eendagsvlieg. Die is nogal knullig en hardnekkig. Bovendien kent
ze geen enkele emotie. Zij is het meest meedogenloos die dag.

Rustig aan

Fluwelen tong, 1997, tekening 65 x 80 cm

1997_de fluwelen tong_65x80_k

Chi va piano, va sano e va lontano
(Hij die rustig aan doet, reist goed en komt ver)

Hij herinnert zich wat hij ziet. Zijn denkwereld is groot. Als
druppels water vallen zij niet altijd synchroon met de drup-
pels die hij hoort. Daarnaast is er veel vuil straatlawaai.
Een deur slaat dicht. Er is iemand gekomen of vertrokken.
Het gaat misschien regenen. Het is niet erg, het is zondag,
de zondedag van de week.
Zijn hoofd en ook de hare wordt rood. Glanzende ogen gaan
onderzoeken. Een handvol spook ligt naast het kussen. Een
krachthand vindt. Tenslotte gaat zij ontploffen en misschien
hij ook, weet hij.

Het bed is een School der Ontlading , net zoals hij vroeger
zijn kunstacademie wel eens speels noemde. Het schitteren
en schetteren van de droomstemmen past daar vervolgens
goed bij. Spierballentaal van geketende kunstenaars.
In de open lucht van de slaapkamer stelt hij zich voor als een
vulkaan. Zijn lavastroom borrelt sissend naar zee. Het onder-
aards gemonkel doet net alsof het niets vermoedt.
Wij weten wel beter. Wij spreken met de fluwelen tong.

Buitenissig

Das Arschlog, 2010, tekening, A4

2010_das Arschlog_k

Weerspiegeling

Soms ben een woord, dan ben ik buitenissig.
Dan doop ik mijn dove hoofd in mijn buik en stoot mij uit. Het gat
wat daardoor ontstaat is als een lichtvlek in de ruimte. Een vlek die
alles zegt waaruit ik ben geboren. Tja, en dan zit je met een aan-
dachtig gezicht te kijken naar de vlechten van mijn wierook, dat
snap ik. Kijk, als dichter dring ik graag door tot de aarde.
Tot in de binnenstad van een salon ben ik meer dan een vol café,
waar het kaarsvet vol langs de tafel druipt.
In mijn onderaardse jaaggangen ben ik zeker buitenissig. Als mijn
besuikerde ezel als een tijdelijke maagd stil en stoer staat te staren,
dan ben ik het woord.
De lome oren luisteren graag naar mijn orakel gekakel. Zelfs de
betraande bomen van buiten wiebelen zachtjes mee. Ze herkennen
mijn wilde natuur.
Soms ben ik een woord, dan ben ik de navelbodem van de beeldenaar.
Verder rammel ik graag wat aan de zakken van de lasthebbers.

Nat hart

Paper Glance, 2000, bewerkte foto

2000_Paper gance_bfk

Dronken loopje

In mijn hoofd gaat een waterval. Mijn hart wordt nat. Als een
volle spons pompt hij mijn bestaan rond. Ik heb de hoofdrol
in mijn eigen verwilderde oplossing. Geef me over aan de
drank.
Bijna ging ik wankelen, maar mijnheer, ik ben nu een engel
die zich niet verveelt in deze eeuw. Mijn leven is niet langer
onvolledig. Ik heb mezelf lief en wens al het geluk van de
wereld te bezitten. Alleen oprechte mensen verdienen dat.
Is mijn derde ikzelf wel een zelf? Het is een zelfportret zegt
de fotograaf. Ik geloof hem niet. Foto’s liegen wel.

De stilte kan mij nu niet vangen. Mijn waterval lijkt meer op
een zondvloed. Ik moet voorzichtig manoeuvreren. Stroom-op
en stroom-afwaartse verlangens liggen op de loer. Ze moeten
hier in het donker, altijd met de buik naar boven, ergens lig-
gen. Wees verstandig en houd je vast aan de leuning. Ik wil
niet bedrogen worden, zeker niet door mezelf.
Mijn hoofd noteert negen glazen mist, ik vernevel langzaam.
Val tenslotte tussen je koninklijke borsten, je meisjes bloesems,
en knaag zalig aan je hart. Jij fluistert een geneuried ei en sluit
mijn rode ogen zacht. Ik ga de nacht in.
Nu ben ik het wrakhout in de golven.
Mijn heerlijkheid heeft het einde gezien en rust uit.

Geen hoogte

Hart/tong, 2004, bewerkte foto

2004_hart-tong_50x50_bf

Afdruk

Er was iets met haar. Je zag dat ze iets verloren had.
Het werd voor het eerst zichtbaar bij de lijn van haar kaak.
Haar kaak reikte verder dan ooit. Iedereen zag het, zij niet.
Als je het zou zeggen zou ze daar niets mee kunnen. Ze zou
verstrooid en glazig kijken, iets warrigs zeggen als: als je
horloge maar tikt onder de mouw van je jasje.
Je kreeg nooit echt antwoord of hoogte van haar.
Nu ik naar al mijn herinneringen zoek weet ik dat alles eigenlijk
vreemd is. Zeker achteraf. Pas in het donker krijgen ze kleur, dan
word ik niet meer afgeleid. Alle herinneringen worden dan ook
losser, alsof ik ze droom.
Misschien is dat ook wel zo. Of ik wil het zo.
Hoe dan ook, als ik me iets moois herinner dan zijn mijn stappen
zo licht dat ze nauwelijks een afdruk maken. Net genoeg om een
spoor achter te laten. Altijd met de zon mee.
Dan is alles zo mooi. Dan liggen de  schaduwen als splinters tussen
je tenen. Je zou er over kunnen struikelen als je niet oppast.
En nu draai ik me om zonder verder te kijken, zonder verder te
weten.

Verandering

In te vullen vrouw, 2014, bewerkte foto

2014_in te vullen vrouw_bf

Mirakel

Tijdens zijn reis in Italië kwam hij onverwacht het eenzaam-
ste tegen. Het groter licht van melancholie ging aan en daar
stond hij mooi troosteloos leeg. Even omarmde hioj nog een
kleine hunkering, maar kreeg geen armslag genoeg.
Toen zag hij zichzelf zo staan en schoot in de lach. Hij door-
zag zijn eigen wankel spel en vergat al het leed ter plekke.
Met zijn tong vuurde hij de vlammen aan, werd weer levend.
Hier en daar kleefde misschien nog een oude echo, maar daar
werd geen aandacht aan geschonken. Zelfs de dronken souf-
fleur had geen enkele macht. Het applaus was te groot.
Met nieuwe eksterogen bezag hij de glimmende wereld en
genoot. Hij kreeg nieuw eelt onder de voeten, vertroetelde
het na een lange wandeling. Zijn borst was nooit meer be-
nauwd om aan te horen.
Het was ergens een mirakel. Een prettig mirakel, waardoor
nieuwe avonturen het neusgat in woeien. Tot grote vreugde
was er voor verdriet geen enkele plaats meer. Mirakels hoef
je ook niet te bewaken of warm te houden. Sterker nog:
mirakels houden niet van theemutsen! Zij hebben hun eigen
warmtebron en vlinderen hun eigen o’s en a’s. Zij zijn naak-
ter dan naakt.
Kortom hij was mooier door verandering geworden.
Iets wat men ook altijd zei over zijn schilderwerk, als hij iets
had veranderd. Het is mooi van ver, verbeterde hij dan snel.
En dat was ook zo. Je moet niet te dicht op een kunstwerk
gaan staan, dan ben je werker, geen kijker.