Vaarwel

Familieportret (Beppe, Jacob), 1968, asfaltlitho, A4

Voorbij het verleden

Een oude emotie verplaatst zich van de ene naar de andere kant.
Het heeft een bedoeling. Het onderwerp moet van het verleden
naar het heden vloeien.
Dat gaat natuurlijk niet zomaar. De oevers, altijd lang van stof,
denken diep en lang na voor ze los laten. Stompzinnige zuchten
volgen gelaten.
Maar daarna is het feest. Alle vensters gaan weer open.
Er is nieuw licht en men heeft geen slapeloze nachten meer.
De akelige fluitwind is er samen met de krakende krakkraktak snel
vandoor gegaan.
Er is weer grote rust. De emotie houdt daar op zijn tijd wel van.
Hij weet hoe het bed warm moet blijven en luistert niet meer naar
anderen. Ook de verveelde oogopslag is totaal verdwenen.
Niemand laat niemand vallen.
Alle stomme woorden glijden weg.
De emotie rust uit in vaarwel.

Apekool

Wintertuin, 1964, gouache. 50 x 65 cm

Kool

dus je hebt de kool gezien
je hebt haar voorgesteld
de kool
je hebt je de kool eerst voorgesteld
en haar toen gezien
zo is dat
dus je hebt de kool zowaar gezien
en je haar ook nog eens voorgesteld
maar je bent geen groenteman
zo is dat
dus je hebt je de kool voorgesteld
je hebt de kool goed gezien
misschien vind je de kool wel lekker
zo is dat
en als het meezit misschien wel heerlijk
dus je hebt de kool gezien
en je hebt de kool voorgesteld
niemand zag de kool
zo is dat
zo is iedereen

Opgeblazen

Zwaaiman op geel vlak, 2011, bewerkte foto

De zwaaier

Culturen bestaan bij de gratie van kopiëren. Het begrip originaliteit
brengt kunstenaars in een bijna schizofrene situatie. Nieuw bestaat
niet, is een adagium. Men beweert maar wat voor het goede gevoel.
Niemand kan uit het niets, als van God gegeven, artistiek werk te
voorschijn toveren. En omdat het niet kan, liegen we er maar wat op
los en doen we alsof er een nieuwe waarheid in het spel is.
De meeste kunstenaars vergaren wat ze op hun weg vinden. Dat
kan van alles zijn, in allerlei stijlen.
Vreemd genoeg zijn zij verbaasd als een ander dat weer met hun
werk doet. Dan vinden ze het ineens niet erg origineel. Die andere
kunstenaar is dan niet oorspronkelijk. Het woord diefstal valt snel.
Natuurlijk is het begrip ‘origineel’ al lang verdampt, tegelijk ooit met
het berenvel.

Kunstenaars zijn altijd grote uitwisselaars geweest, het zijn artistieke
piraten. Ze voegen veel of weinig toe. Meer niet.
Dit proces is niet meer te stoppen, je kunt het niet eens overzien,
het is allang te groot geworden.
Toch moet je niet denken dat dat roven verre van creatief is. Ook
hier is veel onderscheid. Alle letterlijke rovers vallen gelijk door de
mand, zij doen niets met het roofgoed, worden sneue kopiisten. Zij
hebben geen respect voor anderen, hun ziel is dood.
Het moet op zijn best lijken op het imitatiegedrag van een prille pas
geborene, die zich door ontwikkelt. De ziel blijft dan in zijn kern.
Echt en onecht valt voor de goede verstaander altijd te herkennen.
Uiteindelijk is er niets nieuws onder de horizon te beleven. In iedere
eeuw, vanaf de grotschilders, maken kunstenaars zich druk om
exclusiviteit. Stammenstrijd, apenrots. De liedjes van gister worden
vandaag even iets anders gezongen.

Veel erger zijn de culturele industrieën, de promotiekanalen, die
maken het voor de individuele kunstenaars anno nu bijna onmogelijk
is om toegang tot de markt te krijgen. Zij domineren, doordat hun
oren plat zijn gaan hangen: kunst is alleen maar omzet, geld.
Hier is kunst een kunstje geworden.
En zo doet een flits van onkunde de gevestigde orde wankelen en
dat is niet zo verkeerd als het eerst lijkt. Kunst kan namelijk heel
goed drijven.

Aan tafel

What to say?, 2011, bewerkte foto

Tafelgesprek

Ik zal door niets te vragen je begrijpen.
Ik zal geen vage buitenstaander zijn. Uit jouw gedachte regels lees
ik veel groot verlangen.
Vele die-en-die’s hebben je verlaten. Die teleurstelling moet je mooi
bij die die-en-die’s laten als het even kan. Vrienden die niet komen
zijn immers geen vrienden.
Bij het volle maanlicht daal ik als eerste af. Je zult me zien.
Je hoeft niet verder te turen, de kou verdraagt het niet.
Frustratie is zo zinloos. Alles loopt dan mis en is zo tevergeefs dat
er geen echte woorden voor bestaan. En als je die onbeduidende
woorden toch zou vinden zou je je gewoon schamen bij het hardop
zeggen!
Kijk, ik heb groot respect voor je, zoals je vermoedt.
Jouw zelfonderzoek zet anderen aan het denken.
Jouw terughoudendheid, jouw voorzichtige strategie, is het beste wat
me ooit overkwam.
Het maakt me blij omdat het altijd positief en betrouwbaar is.
Je bespeelde mijn verdorde geest goed. Je liet mij in mij groeien.
Maar goed, op deze donkere dagen denk ik niet zo.
Mijn twee grote liefdes zijn nu: lang slapen en eindeloos geduld hebben.
Daar kan je lang mee doen. Je schift niet. Het leven blijft aardig.
Alles is uiteindelijk een kwestie van integriteit.

Zonder titel

Het binnenste, 2011, bewerkte foto

Dichteres

Doorgaans geeft zij zichzelf de schuld van al het smakeloze.
Al haar gedichten houdt ze in de vlammen. Niet goed genoeg!
Anderen mogen vreemd genoeg alles aanhalen. Anderen mogen
zoveel roven als ze willen. Het kan haar niet schelen. Zij zal het
nooit doen.
Alles valt bij haar onder de rubriek ZONDER TITEL, nooit z.t.
Zij is een dichteres van vroeger en draagt voor, leert de tekst nog
uit het hoofd. Zij gebruikt haar oor om te kijken, haar oog om te
citeren. Haar hoofdstemmetje zegt zuinig en vaak: beneden de maat!
De beste gedichten likken als vlammentongen. Vol vuur schreeuwt
het zich een rauwe weg. Daarom zijn de meeste half verbrand en
moet je later de rest maar raden. Je begrijpt het niet, het vuur heeft
al gegeten.
Haar uitgehongerde tong slikt alles in één oogwenk hongerig in. Haar
darmen doen de rest.
Zij blijft schrijven tot ze er bij neervalt.
Wordt opnieuw oplaaiend vuur.
Haar as van eeuwigheid roept mijn eigen honger.
Dat vuur heb ik al eerder gezien. Veel eerder, in andere levens.
Ik doe mijn best, maar dan MET TITEL, geen m.t.

Rondkraaien

Achtergrondboom, 2004, 100 x 80 cm, acryl

Het bos is geen kantoor

Deze bomen absorberen ieder bewijs, maar houden hun oren dicht. Dit is
dus een bijzonder bos en geen waardeloze getuige.
Er klonk gestommel op een aangrenzende pad. Een donker silhouet drong
zich op in de bosopening. Het was de schoonmaakster.
Wat doe jij hier nog? – vroeg ze de meest dichtbije stam.
Ik verricht onderzoek – zei de boom.
???
Ik ben op altijd op zoek naar verzachtende omstandigheden – vervolgde hij.
Hebt u dan een sleutel? – wilde ze weten.
Boom: alleen een reserve, maar dat spreekt voor zich.
En toen klonk een jachthoorn en sloot de boom zich snel af.
Ander bomen omsloten als vanouds alle dieren.
Toen ging de telefoon. Heel vreemd. De werkster nam op. Ze zei spontaan:
Met kantoor onbekend……
Aan de andere kant van de lijn schreeuwde een valse kraai.
Alles werd zwart. Ongewenst zwart. Ineens was daar de nacht, zomaar in
dat bos.
Van de werkster is niets meer gehoord. Het schijnt dat kraaien daarna
nogal netjes zijn geworden.

Kort mooi

Onbedoelde dingen, 1996, boek 45, pag.63, 15 x 22 cm

Even echt

Een levende geliefde maakte een mooi gedicht.
Het was zo onverholen mooi verteld dat ze nog wel een maand kon
teren op verkregen heerlijkheid.
Kort daarvoor voelde ze zich nog een verlaten ziel, een onaangedane
spiegel. Ze was tijdelijk iemand die maar niet wakker wilde worden.
Maar nu, met deze heerlijke woordenman, glimlachte haar blos zonder
schaamte in de tedere lichtheid van het moment. Met grote passen,
de zijne, hield ze van hem. Vanuit de lucht hielden de vogels hun in
de gaten.
Ineens stond hij stil en maakte een grapje wat geen grapje was.
Hij groette beleefd en liep opgewekt fluitend van haar weg.
Zijn vlijmscherpe spot bekraste haar ziel.
De versteende, verliefde vrouw werd op slag blind.
Haar zoutbeslagen ogen lieten geen licht meer door.
De dag ging verder in eigen orde.
Het begon zo mooi. Even is maar kort.

Vrij

Some Night, 1998, 60 x 30 cm, acryl

Filosofische vertwijfeling

In een filosofisch twistgesprek over de vrije wil voelde ze zich plotseling
een eenling. Ieder ander leek een duidelijke herkomst te hebben, zij niet.
Zij was blijkbaar naamloos, zeg maar abstract, aangespoeld en liep nu
rond in iets wat afkomstig was uit het rek van een ander, meer niet.
Alles zei haar ineens niets meer. Totaal leeg, doof, levend dood. Woorden
op zich betekenen immers niets.
En zij, die anderen met hun recht op eeuwigheid, hadden toevallig wel
een complete geschiedenis. Haar kern bleef leeg, haar geest leek nog het
meest op een tot de draad versleten afgedragen jas. Totaal op. Koud.
Als de wil zo vrij is, waarom wil hij haar dan niet, waarom stikt ze dan
bijna in een split-second? De wil kiest dus wel degelijk en is onvrij.

Arm hoofd

Gebonden man, 2011, computertekening

Beschouwer

Vanuit een bepaalde hoek is er veel.
Hij had van horen en zeggen dat de mensen tegenwoordig niet meer
weten wat nu eigenlijk werkelijkheid is. Vooral de volwassenen schenen
daar veel last van te hebben. De voortdurende relativering had zo zijn
grote gevolgen.
Maar we hebben toch ons eigen blikveld – begon hij.
Inderdaad, we blikken aanwezig, maar daar is alles dan ook mee gezegd
in de simpele, overzichtelijke wereld. Daarbuiten gaat de werkelijkheid
als los zand door de vingers. We kunnen er van alles van zeggen of weten
maar iedere betekenis betekent ook weer niets en alles.
Een regering wist de oplossing: terugkeren naar de normen en waarden
van weleer. Dat zou de nodige vastigheid teruggeven.
Dat was te veel voor zijn arme hoofd en zodoende speelde hij verder geen
rol meer van betekenis. Werd een vastgenagelde beschouwer.
Onder de naam op zijn visitekaartje stond schuin gedrukt: post historisch,
alsof het een nieuw beroep was.

Snippers

Gemiste kans, 2011, computertekening

De schaduw

Alles was geweest.
Niets was gebeurd.
Langzaam verscheurde hij zijn volgetekende vellen. Het scherpe
scheurlawaai boorde diep in zijn oren, plantte zich voort in kippenvel.
Misschien…..misschien zou ik mezelf ook moeten schrappen – zei hij
– om zo voor altijd te verdwijnen in het niets of moet ik even geen ja of
nee meer zeggen…….of……
De snippers vielen stijf in de rieten prullenmand, daalden diep.
Zal ik een ander naam nemen? – vroeg hij zich af.
Hij ging voor de grote spiegel staan, maar die had geen last van een
loskomende tong en zweeg in alle talen.
Terugkomend op zijn stoffig eiland, zijn meest eigen jungle, ziet hij een
afgebladderde tuin. Hij hoort de kosmische muziek met ingeklopte hoop
en blatende beklemming: Goed – we wisten niet.
Maar nu weet hij misschien, of denkt dat gewoon alles niet anders, niet
nieuw, niet vers is. De ongekende betekenis leeft voort zoals het hoort.
Hergebruik laat zich voortdurend schaamteloos aanpassen. Utopisch en
toch niet ideaal.
Goed: we weten het en we laten ons bij de neus nemen.
Eindeloos, vandaar al het stof en al de rimpels.
Had hij maar een schaar of een wolkje.
Was hij maar een lange schaduw van een stoel.