Idee

Dragers, 2012, bewerkte foto

Hangwerk

Schilderijen horen gedragen te worden, dat is een goede tra-
ditie. Werk wat hangt is lui. Juist in deze tijd van mensenover-
schot zou het De Oplossing zijn. Hij mooier je het zou dragen,
hoe hoger je provisie werd. Ballet zou dan overbodig worden.
Het rond paraderen van de expositie zou het geheel sterk verle-
vendigen, maar ik ben bang dat men niet wil. Men ziet er vast
niets in. Er komen snel apen en beren op de weg. Die moeten
het dan dragen, die kosten immers niets. Dieren geven niets
om geld.
En ik dacht nog wel dat het goed zat met de intimiteit, open-
heid en directe omgang met de persoonlijke belevingswereld
van de hedendaagse kunstenaar. Dromen en eigen leven zijn
vaak mooi verweven. Heel bijzonder meestal.
Toch is men bang voor het grimmige randje.
Pas na lang aarzelen haakt men toch maar af. Geen gezichts-
verlies.
In dit kader vraag ik me af hoe het zit met het favoriete plek-
je van een schilderij: boven de bank. Wat vindt de bank daar
eigenlijk van? Wat voelt zij in haar achterhoofd? En hoe voelt
een bank?
Het schijnt zo te zijn dat een bank erg gevoelig is voor mooie
titels, daar houd ik dus mooi rekening mee. Banken worden
er meer open van en geven meer comfort. Een titel is dus erg
belangrijk, het is een meer dan een smaakmaker, het is troost
voor de bank.
Later zal iemand mij vertellen dat ik het verkeerd begrepen
heb, want de bank voelt niets in haar achterhoofd, de bank
voelt alleen waar mijn achterhoofd zit.
Ik zal het dan bijsturen.

Taal en gebaar

Some Night, 2009, 80 x 80 cm, acryl

Oeuvre

Meestal ben ik lief voor dingen die er niets aan kunnen doen.
Ik ben vrij in al mijn gedachten, ik kan denken wat ik wil. Als
ik op zoek ben naar een taal, een gebaar vind ik het meestal
zodra ik ga lopen. Lopen is goed voor je hersens, ze gaan er
van stralen.
Dit is geen dag om met stralende argwaan te beginnen, nee,
dit is een dag om wonderbaarlijke kinderen op te tillen, al
zijn die kinderen niet van vlees en bloed.
Het aantal kinderen heb ik nooit geteld maar neem maar aan
dat het er vele duizenden zijn, waarschijnlijk rond de achttien-
duizend na vijfenveertig jaar zelfstandig werken.
Vele kinderen bestaan allang niet meer, zijn verkocht of weg-
geschilderd in de nacht. De meeste werken heben iets van
vlugverkering. Je weet zeker dat na een aantal jaren, maanden,
nee uren alles weer uit elkaar zal vallen. Iets nieuws neemt
het over, omdat ik zo vrij ben om te vrijdenken.
Ik kan aanwijzingen zoeken en vinden, oplossingen voor orka-
nen en cyclonen aandragen omdat ik niet weg ren en dingen
zie.
Anderen zullen mij volgen.
Klinkt goed. Waar ik niemand ben vlij ik mij tegen zonbesche-
nen gevels op zoek naar de zachtste plek van je vel.

Om zeep

Oho Erlebnis, 1999, 150 x 100 cm, acryl

Bleke man

Iemand stond geruisloos voor het licht van een raam.
Even leek het of hij een dankwoord uit wilde spreken, maar
hij miste klank en ritme. De tijdelijke beginletter was zoek,
was weg gezwommen. De stabiele massa verdween in het
veld. Wat overbleef was het lichte vooraf spel, de prelude,
waardoor alle associaties constant verhuisden. Op die manier
wordt een mooie redevoering snel om zeep geholpen.
Bovendien kreeg de lange A niets meer met zijn korte H. De
vreemde kwam niet verder dan OHO.
Daarom dwaalde hij af van zijn voorgenomen doel. Fout!
Een dichter zou dat nooit doen, die houdt niet van gebakken
lucht of slappe bespiegelingen en dat is maar goed ook.
Hij weet wat hij wil, voelt zijn diepste binnen, laat zijn zwan-
gere hoofd niet langer dwalen en begint met schrijven.
In stilte weet hij precies wat hij wil zeggen. Het begrijpen
komt misschien later of ooit wel. Er is geen gat wat hem aan
kan gapen. Ongeloof is voor anderen. De dichter denkt hoog-
stens dat al die gaten een gezicht vormen. Zijn onderlaag
staat altijd op glimlach en hij verschuift de lucht moeiteloos
met blote handen.
Zo, beter zicht!
Van kinds af aan wist hij al hoe je dat moest doen. Hij had
alles vroeg op een rijtje, zei men. Bij hem moest je in zijn
kindertijd niet met praatjes aankomen. Hij was nog wijzer
dan de oudste eik. Muggen gingen eerder dood voor ze hem
konden steken.
Mijn geroep maakt niets uit.

 

Gek

Een zeker gevoel, 1985, 80 x 80 cm, acryl

Kleine geest

Op weg naar het gekkenpaviljoen draagt hij zijn bloed op de
voetzolen. De vervreemding had hem in het diepe gegooid.
Hij kon niets meer geloven. Zelfs niet de Heer.
Nu zul je zeggen was dan dat zwarte laken wat je zo beknelt,
maar als je eenmaal in een schaduw leeft is dat geen optie.
Ik ben de zus en voor mij bestaat er geen waanzin.
Het paviljoen is kalkwit en kent geen scherpe hoeken. Het ligt
op een mooie, glooiende heuvel. ’s Avonds als de zon gaat
liggen kan je het eentonige gezang van de bewoners goed
horen. Die zang doet nog het meeste denken aan het geluid
van bijna verpletterde diertjes op zoek naar voedsel.
Ik herinner me hun vale gezichten, hun gespeelde saamhorig-
heid, hun ziekte die het vuur in de handen houdt. Men brandt
zich niet, men schuilt onder de klokken alsof er een hemel met
zwarte wolken de boel verpest.
Hier is de tijd gekomen om de tijd stil te zetten.
Doorbreek jij maar eens de grenzen daarvan.
Het gekkenpaviljoen is als een vreemde, onbevattelijke plek.
De kille vrede in de wezens verstrooien een abstract spel,
omdat de ketting te nauw is.
Als zus dwaal ik steeds verder.

Fietsvrouw

Vuile zomer, 2012, computertekening

Droomweek

Aan het eind van zijn werk is er de vermoeide werker.
Hij houdt zijn ogen gesloten en droomt dat hij zijn ogen ge-
sloten houdt en droomt. Om hem heen strekt zich een dor
grasveld uit. Hij ligt op het koude grasveld en hij droomt.
Voor hem passeert een vrouw die zingt. Haar haren zijn zo
zwart dat je het niet gelooft. En dan die ogen, ook al zo
zwart. Haar gezicht lijkt daardoor bleek. Hij vraagt zich af
of ze overal zo bleek zal zijn. Zij passeert en zingt.
Dromen is werken.
En hij houdt zijn ogen gesloten, droomt verder. Zijn mond
hangt half open. Het grasveld wordt nat.
De menigte applaudisseert. Zijn lichaam kromt zich. Hij
droomt aandachtig, begrijpt het niet. Hij moet aandachtig
blijven, want elke fout wordt hem aangerekend. Hij kan ter
verantwoording worden geroepen.
Op dat moment wordt de man wakker.
Hij ligt in de schaduw van degene wiens schaduw hij is en
kijkt zichzelf diep in de ogen. Begint te wiebelen met zijn
hoofd. De gene die achter hem staat, wiens schaduw hij kent,
ondersteunt zijn rug. Het voelt stevig, aangenaam.
Hij rookt een sigaret. Om hem heen ligt de lege weide.
Een zuchtje wind brengt zijn hoofd opnieuw aan het wiebelen.
Tenslotte neemt de droom het weer over.
Er fietst een vrouw voorbij, zij zingt.

Mondgat

Innerlijke berg, 2012, computertekening

Tweespalt

Een vlek van amper een berg vult de ruimte. Het steekt mooi
af tegen de vale achtergrond. Hier schijnt de zon geen enkele
dag. Zo wordt de aarde berg, een avondmaal. Ergens in de
onderliggende vloer moet een mondgat, zo groot als een hon-
denmuil, zitten.
Als je goed ziet druipt de nacht overdag nog licht als een late
herfstbui na. Op het eind vegen druppen hun vochtige mond
voorzichtig af. Boven de bergen lees je de omtrek van de vale
ruimte. Er is een deur naar mooi en meer.
De kunstenaar die dit alles bedacht vond het belangrijk om
even wat uitleg te geven: dit werk gaat over de hypocriete
medelijden van de vooruitgang…
Trek je hier niets van aan, het zegt iets over hem.
Zijn uitleg is een zwakte. Geloof liever in eigen idee, vondst.
Je kunt altijd zonder angst het bos in, er zijn geen monsters.
Kijk, de wolken worden de hemel ingezaaid om de zon te tem-
peren. Je oogleden voelen aan dat de avond gaat vallen. Tijd
om te vertrekken en de berg zijn groeigang te laten gaan.
Het is een heerlijk moment om nu dromend alle woorden en
beelden te veranderen. Dat is het mos tussen de stenen.

Haar kleur

Miss Auberg, 2012, bewerkte foto

Bloemenmeisje

Haar vriendinnen zeiden dat ze weke benen had.
Zelf vond ze het een prachtige plek waar vrienden elkaar
treffen.
Als schoolmeisje was ze ooit blond geweest, maar bij het
ouder worden veranderde het uiteindelijk in een warme
aubergine kleur. Heel apart. Haar kan zich bereikbaar ont-
wikkelen.
In diezelfde tijd, onder dreiging van aanstaande genoegens,
dwong ze zichzelf mooi te maken. Vooral haar knieën wer-
den zacht, het moest soepel, aaibaar zijn.
Ze had een sterke eigen wil, was haar eigen beste vriendin.
Zeker na haar verdrietige ervaring met een lagere school
jongen. Na de les had hij haar opgewacht bij de poort en
toen hij haar zag huppelen had hij haar met zijn sleutelbos
een klap op haar kop gegeven.
Ze was niet gestorven, maar haar eigen vuur was sterk aan-
gewakkerd. Niemand zat nog ongevraagd aan haar. Zelfs als
ze zei dat ze zoet was, moest je nog uitkijken.
Die vreselijke middag was inmiddels al lang voorbij en bijna
vergeten, haar dorst naar het kwade leek gestild. Nu was het
leuk om samen te douchen, ruzie te maken, dan vrijen, dan
weer douchen om tenslotte met een wederzijdse lichte buiging
afscheid te nemen met een beleefd en lacherig goedenavond.
Bij het verlaten van de straat riep hij nog: Mooie knieën heb
je riep hij haar dan na, zonder om te zien. Zij glimlachte.

Boven het tapijt, op vijfenzeventig centimeter, speelde het
interessante leven regelmatig af. Als je niet wilt lijden moet
je het aaien altijd toestaan, zei haar grootmoeder al.

Ring

Luchtpost, 2012, boek 102, pagina 16

Ongekend toen

Ring niemands ring had zijn vader nog gezegd, maar ja, jong
en onbedorven doe je dat toch. Je bent verloren geraakt, er-
gens uit de hemel gevallen misschien. Ergens maar overal.
Waarom zo snel getrouwd?
Je jonge leegte ben je snel vergeten, net als je huwelijksnacht.
Hier heb je mijn ringvinger, maak het je gemakkelijk.
Iets vatte vlam en droomde door dat het iets was. Een blinde
pijn kronkelde zijn weg en verwarmde je rug. We verwarmden
ons aan die pijn. Vielen in slaap van nietigheid.
Het ongekende toen speelde laatst ineens op toen ik droomde
dat ik niets was. De vlam doofde zodat mijn pijn weer kon
zien en zij doofde ook blij.
Hij liep al een eeuwigheid door eigen oneindigheid, geen top
leek hem te hoog. In zijn spoor liep de manke tijd mee, haal
de in en vertrapte. Pas toen hij zijn voelhoorns uitstak was de
slakkentijd voorbij. Net voordat het te laat was sloeg hij af
naar de lange levenslijn op de denkbeeldige handpalm en in
een poging tot verheldering schreef hij:

Er was eens een getal, zo mooi en rond als de zon. Uit een-
zaamheid begon hij met zichzelf te rekenen. De zonnige rein-
heid trok diepe gloeiende sporen. Het rekenen hield op, weer
was hij alleen. Hij begon zichzelf achterna te zitten in het don-
ker, waardoor het delen en aftrekken zich spontaan met het
optellen ging bemoeien. Zo gaat dat in het donker.
Er was niemand om het getal op te vragen, de sporen te stop-
pen of uit te wissen.
Rekenen doe je niet in het donker.

Tegel

Voorjaar, 2012, boek 102, pagina 36

Vlinderlikken

Zij was zich ineens bewust dat ze aan het handje van de be-
denker liep. Haar lichaam trok steeds andere lichamen aan
die haar niet pasten, terwijl ze fladderend de liefde omschreef.
Het begin kwam steeds te laat, ook dat nog. En waarom zou je
de waarheid moeten spreken, je hebt toch het recht te liegen?
Hij bewonderde haar meer dan grote ogen, de lichtgele huid,
haar zachte stem. Toen de liefde zich vooroverboog had hij
geen weerwoord gehad. Hij kreeg een royaal uitzicht op haar
zachte curves, die zich daarvoor nog verscholen onder haar
kledingstuk.
Spelen met de gedachte was niet meer het halve werk, hij
liet zich gaan ondanks zijn zesde gezicht (hij was al zestig).
Ze begonnen teder te vlinderlikken. Proefden elkaars rood.
Toen hij zijn arm losjes om haar middel deed, als teken van
steun, bescherming of trots, liet zij hem begaan. Het verlan-
gen, stekelig van buiten, zoet en romig van binnen, dicteerde.
Want als iets goed is dan laten wij het zo. Net als in de kunst
trouwens, het gaat altijd om de reis, niet om de bestemming…
Kortom het verlangen brandde diep in de schoot, de sterkte
van de verbinding plantte zich diep in het geheugen.
Hij wist het nu zeker: laat meisjes niet zwijgen als mannen
oud zijn. Bovendien na het ogenblik is er nog een zee van tijd.
Tegelspreuken verdorren immers niet.

Witte rozen

Nieuwe richting, 2012, boek 102, pagina 49

Zacht van binnen

Je bent wat je achterlaat, maar wat heb je er aan?
Dan kan je net zo goed zeggen dat het geheugen iets is dat
afwacht of dat een gebouw een straat is die zich omhoog
slingert.
Is dat mooi? Iets is op zijn mooist als het op weg naar af is.
Ieder einde heeft iets definitiefs. Het mooist van de stilte
daarna is dat alles weer als nieuw klinkt, dat heeft ook weer
wat.
Nog meer onzin:
Ik ken een vrouw die heel mooi witte rozen kan blozen. Dat
is op zich een hele kunst.
Ik ben erg op haar gesteld en fantaseer soms zelf zo ver dat
ik denk dat ik later, veel later, op haar sterfbed haar versteende
blik zal kussen, maar dit ter zijde al is het een goed idee.
Zij is een wonder der natuur (wat op zich alle vrouwen zijn) en
draagt jurkjes die elke vrouw nodig heeft. Ooit als kind zag ze
er heel anders uit, toen was ze meer een verkruimeld koekje,
niemand zag haar staan. Men was te veel bezig met de klinken-
de ikken. Maar in de stilte tussen de dagen werd ze een prach-
tige vrouw, mooi tot ver in de mond. Bij haar dacht ik vaak:
alles kan, maar niet tegelijk. Later hoorde ik dat dat eigenlijk
niets bijzonders was, het was alom bekend.
Maar goed, wat zij wel kon en een ander niet was de angst
door midden snijden. Het bloedde nooit, wat behalve prettig
ook heel handig was. Daarna kon je het gevoel ontbloten.
Dan moet je uitkijken! Sommige mensen eten dan hun hart op
van heimwee.

Ik ben meer een man van de gemompelde onzin, zacht van
binnen of iemand die een slotzin van vier bladzijden schrijft, als
een uitgesteld orgasme.