Ego

Vroeger haar, 1968, bewerkte foto

1968_vroeger haar_bf

Eigenwijze tijden

Ik prees me vorige week weer rijk toen ik vrij onverwacht contact
kreeg met een oud beeld van mezelf. Soms spreek je de taal uit
vervlogen tijd. Ik kon bij mezelf aankloppen en zag dat mijn haar
weer zigeunerdonker was. Vanaf onaantastbare hoogte stuurde ik
toen mijn beelden de grote wereld in. Het interesseerde me niet
of het werd begrepen, het moest worden gezien.
Het werd niet altijd begrepen. Dat ik een eigen taal sprak wist ik
toen nog niet. Ik gaf het onnozele volk de schuld van al het on-
nodige onbegrip, ze moesten maar beter uit hun doppen kijken.
In die tijd, ooit, was ik nogal overtuigd van mezelf. Anderen liepen
achter de feiten aan, omdat ze voortdurend ontglipten. Zij faalden
niet graag, maar verzaakten constant, keken daarbij vaak schichtig
om zich heen. Volledige overgave was voor hun een brug te ver.
Ik voelde soms iets wat bij medelijden in de buurt kwam (meelij),
maar dat medeleven bracht geen vooruitgang. We waren geen fa-
milie.
Ik was daarom graag alleen, uit zelfbescherming, amuseerde me
prima. Als ik met rust gelaten werd en in mijn eigen wereldje kon
dobberen kon ik de boot mooi afhouden. Niets was mooier dan me
zelf bespringen, ik gaf mezelf onvoorwaardelijke liefde. Eigen liefde
is inniger dan welke andere liefde ook.
Weten die anderen dat eigenlijk wel?
Vast niet, die verliezen zich veel te snel in wij.

Klankkast

Hello A, 2013, computertekening

2013_hello A_ct

Letterbak, etterbak

Stel je eens een kapitale A voor, die handen en voeten roert om
zich de oudheid eigen te maken, waar hij overigens nooit iets van
zal snappen.
Snarssnappen heet dat geloof ik. Je moet er een letterbak voor
hebben omdat te begrijpen.
Eh…
Handen en voeten, zeg dat wel, want de grote A besteed haar tijd
aan het boetseren van goden- en godinnenvoeten. Zij is erg in de
wolken als dat ook nog eens bijzonder mooi lukt.
Er zijn mensen die dat bewonderen. Een van die bewonderaars –
een ras dat in alle delen van de bekende wereld woont – had een
grote plumeau aan de grote A gestuurd, die gemaakt was uit de
veren van de meest welluidende en harmonieus zingende vogels
van Zuid Amerika.
Die gebruikte zij om zichzelf goed af te stoffen waardoor  ze beter
ging klinken. Alle O’s, U’s en E’s werden meteen jaloers, zij
klonken nog steeds dun en dof. De volle A was niet te evenaren.
Toen kwam de grote A een dikke T tegen en die at hem gewoon op
en weg was zij. Binnen in de T hoorde de nog klinkende A goddelijke
muziek die niet van haar afkomstig was en riep: Ai, ik word doof!
Mijn oren suizen!!
Dat kwam omdat de oren van de grote A vol zaten met kamferzalf.
Daardoor had zij nooit iets begrepen van echte harmonie, ze was
maar wat gaan schreeuwen en dacht dat het fraai was.
En zo werden alle klinkers voortaan even sterk afhankelijk van hun
medeklinkers.

Drank

Het afscheid, 2013, bewerkte foto

2013_het afscheid_bf

Aangeschoten wild

Als je denkt dat je hem ziet is hij al weer weg. Maar wat je gedacht
hebt kun je gaan zoeken. Kijk in de ramen van de huizen, daar heb
je kans.
Iemand zegt – Waar is je hoed? Je jas? –  terwijl de zon schijnt.
Of dit een film is vraagt iemand.
Natuurlijk niet of het hele leven moet een film zijn.
Dus zeg ik, nee, dit is een beeldroman en hoop dat dat voldoende
informatie is, zodat ik verder, opnieuw de straat in kan.
In mijn hoofd, in mijn maag hoor ik iets rinkelen. Het blijkt een schip
te zijn. Het vaart met één nacht ijs aan flarden. Geen mens aan dek.
En al dat water schots en schommelt in mij. Ik voel me misselijk.
Nu niet te snel omdraaien om terug naar huis te gaan. Ik ben als
een te volle bakfiets, die moeten ook niet snel de hoek om, dan valt
hij om en lig je overhoop.
Laat me staan, ik ben er niet, ik kan niet met je mee – zeg ik nog tegen
mezelf.
Ineens sta ik voor het hekje. Ik pak mijn hand en doe open.
Dit is helder, de gebutste stoep glanst, ik word zichtbaar in het beeld.
Nu moet ik gaan naar waar ik vandaan kom, maar ik weet dat nog niet.
Er is alleen een zon die mijn hoofd verwarmd. Misschien ben ik alleen
maar theorie. Met de kleur van een grijze vuilniszak.
Ineens ben ik toch binnen, hang mijn tranen aan de haak, doe de jas
er overheen. Vandaag is vandaag, vooruit geen knuisten meer in de
broekzak.
Mijn hoofd heeft de kleur van een ondergescheten stadsduif.
Ik neem de trap op naar het avondlied en hoor de buren praten met
speeksel naar de dingen.
Altijd is er regen. Ik val in het bed.

Taal

A t/m Z, 1992, tekening, A4

1992_a t&m z_k

Avondrood

Hij probeert woorden te zien maar heeft weinig geluk. Niets valt
samen, geen woordenboek helpt. Zelfs alleen technisch schrijven
lukt niet. Wat nu?
Godzijdank is er nog de brabbeltaal. Je maakt je misschien een
beetje belachelijk, maar er staat iets. Je ridiculiseert je woorden
en dat werkt. Met wat spuug in de hand wrijf je de letters op het
papier. Je voelt: het gaat iets worden.
De avond kleurt mooi rood. Het is zijn lievelingstijd en voelt zich
een geweldige geluksvogel dat hij dit weer mag meemaken. Dit
gaat verder dan iedere, bleke realiteit. Je transformeert op dat
moment tot een volledig alfabet en hoeft niets meer te zeggen.
Voor nieuwe ideeën is dit het juiste moment. Hij hoeft niet perse
verrassend over te komen, hij is geen revolutionair. Doe je zegje
is al meer dan genoeg voor hem.
Zijn onderwerpen liggen voor het oprapen en gaan vaak  over de
bevrijde vrouw. Hun succes, betere seks, stijl biedt hem veel troost.
Troost?
Zijn schuldgevoel verkoopt al die praatjes. Zo prijst hij zijn krach-
tige boodschap aan. Dat maakt zijn leven een stuk aangenamer.
Hij heeft veel lezeressen die ook een troostkick krijgen. Het is hun
onbevredigde fopspeen. Dit aangeprezen product is van groot nut.
Alle alternatieven zijn overbodig.
Is dat schizofreen?

Nivea

Old, 2008, tekening, A4

2008_old_k

Denkbeeldig verleden

Hij wil zo graag terug naar de ziel. Het lukt hem niet, zeker niet op zijn
verjaardag. Zijn vrienden proberen hem daarbij van harte te helpen,
maar komen niet verder dan zijn cruciale periode.
Cruciale periode? Uit zijn hele leven?
Een jeugdzonde leeft heel erg in zijn tijdverhuizing. Hij noemde haar
meestal zijn hongernonnetje, want ze had nooit ergens genoeg van.
In zijn uiterste verbeelding ziet hij haar dan weer, zijn jeugdliefde,
zijn onderste onderdeel van ooit, zijn alles.
Eerst komen de kleine, grijze stofjes bovendrijven en dan later, na
het optrekken van de miezermist, ziet hij haar stil zweven in een
ruimte die hij eerst niet thuis kan brengen. Later blijkt het haar piep
klein huisje te zijn (je kon er je kont niet eens ongevraagd keren).
De deur staat altijd open. Iedereen is welkom.
Hij ruikt een vleugje Nivea. Voelt de hitte van de felle kachel.
Daarna ruikt hij weer het zoet van vanille of een andere ontbrekende
geur. Alles hoort bij haar, bij haar miezerigheid. Zij draagt veel sjaals.
Haar ogen staan vaak vochtig. Ze houdt van stamppot.

Natuurlijk is dit allemaal niet zo, maar hij wil het zo. Met weinig
moeite kan hij haar gedachten lezen als hij haar lachende rimpeltjes
ziet. Zij is ineens toegankelijk in dit denkbeeldig verleden. Ze laat zich
graag bekijken als onverwacht cadeau. Hij pakt haar voorzichtig uit.
Ze ruikt haar aangename zweetgeur.
Ze lachen verlegen naar elkaar.
Knallen met de lekkerste handen.
Ze graaien naar achteren, naar voren, pakken het vlees.
De vuurdruppels lopen over, het zaad spat.

Hondenleven

Zwartsel, 2013, boek 108, pagina, 20

2013_zwartsel_bk108_pg20k

Fata Nero

Als iets lang geleden is is het meer van nu. Toch is het niet uit je
lijf. Zo kan ik soms nog wel de schaduw van mijn hond Tjoepie
zien, terwijl hij toch al in 87 stierf. Mijn hond was zwart, mijn ge-
dachten aan hem zijn dat niet. Ik heb gevoeld hoe koud hij werd,
terwijl hij voor mij warm bleef.
Soms als ik een zwarte gedachte heb denk ik daaraan, een zwarte
gedachte is een koude hond. Bij het uitspreken of voelen van die
hond is al het zwarte meteen weg. Zwarte gedachten willen niet
in mij wonen, ik heb er niet het talent voor. Daarom vinden som-
mige mensen mij ook licht (wat natuurlijk grote onzin is).
Kijk, iets kan beginnen met een zandkorrel of een zwarte splinter.
Als het zich in je huid gaat hechten heb je zomaar een doorn in je
vlees. Die ene spat wordt dan een ziekmakende rivier, die ’s nachts
langs je benen omhoog waait en je totaal gaat bedekken. Dat heet
opstuivend duister.
Je moet die kruimels opzij schuiven. Je hebt er niks aan. Verzin
liever dat de tafel een tuin is en de kruimels het zonlicht. Veeg het
samen tot een glinsterend hoopje. Bedek het zware zwart ermee.
Wanneer ik mijn ogen sluit, verzin ik Tjoepie naast me. Hij is niet
meer een stervende bloem, een verwelkend visioen. Als ik wil voel
ik zijn adem op mijn huid.
Maar nu wil ik niet.

Vet mooi

Tweelicht, 2000, bewerkte foto

2000_tweelicht_bf

Boven de bank

Direct na het voltooien van zijn schilderij liet de kunstenaar een
waarzegster komen. Hij ontbood haar omdat hij benieuwd was of
zij de toekomst van zijn pas geschilderd werk kon voorspellen.
Het werd een echte teleurstelling, zelfs na heel veel wijntjes en
complimenten was er geen eenduidig antwoord. Haar orakeltaal
was te prachtig.
Aan de ene kant bleek het werk een wezelachtige houding met een
sterke overlevingsdrang te hebben, aan de andere kant dacht ze
juist aan iemand met sterke zweetvoeten (was hij een hielenlikker?).
Af en toe had ze het over de lelijkheid van het werk, maar dat was
alleen maar bedoeld om hem op stang te jagen (wat lukte!).
De kunstenaar was ontevreden over haar en bleef erg tevreden over
zijn eigen geweldige creatie en gooide de waarzegster dus op straat.
Ruilde haar in voor twee andere wezens, twee beeldschone meisjes.
Nam ze mee naar de werkplaats om hun nog wat verder bij te schaven,
want hij streefde altijd naar de perfecte perfectie.
En toen?
Toen schraapte de artiest zijn keel en zei: Dit is vette shit! Kan het
nog mooier?
Ik denk het wel; het kan volgens mij altijd anders als je openstaat
voor het onbedoelde terloopse.
Later hoorde ik dat de kunstenaar was overleden doordat een verzen-
gende aswolk van een spuwende vulkaan hem doodde. Hij zat net een
nieuw meesterwerk te scheppen.
Je kunt maar beter niet in Italië wonen.
Zeker niet bij een vulkaan.

Tobber

Hazenhart, 1987, bewerkte foto

1987_hazenhart_bfk

Werk aan de muur

In de keuken:
Michiel is een tobber.
Wat hij zich vaak genoeg afvraagt is, hoe zijn leven er uit zou zien
als een ander het leidde: of het dan nog zou bestaan.
Zou hij dan nog diezelfde baan hebben? Met diezelfde leeftijd?
In hoeverre zit er nog rek in zijn leven?
Hij komt niet veel verder dan dit tob-denken. Alles lijkt direct te
veel. Hij voelt zich snel overbodig. Geruisloos je vermengen met
een ander is voor hem geen optie. Personages die hij niet wil her-
kennen passeren zomaar zijn nulgraad. Hij groet niet, wil ze niet
te woord staan.
Terug in de keuken:
Het enige wat lukt is het glas aan de lippen zetten, een fles leeg-
drinken. Urenlang kropt hij zijn geest op tot zijn hoofd, al flink rood
aangelopen van de drank, bijna ontploft.
Hij heeft zijn plaats gekozen in een uitgestrekte keuken met hoge
pollepels en pannen. Daar kan hij zichzelf moeiteloos dwarszitten.
Lukt er dan echt niets bij Michiel de tobber?
Een paar nieuwe schoenen kopen en hopen dat hij dan anders gaat
bewegen is het hoogst haalbare.
Dan zie je hem op een opening van een expositie van hoek tot hoek
schuifelen. En teugjes rood drinken uit een veel te groot glas.
Hij praat met de schilderijen. Wel zo veilig.
Geleidelijk ebt hij weer weg in het groen, zijn verborgen locatie.
Hij is een pannenman.

Verlossing

Verlichte man, 2001, bewerkte foto

2001 verlichte man-bf

Overbelicht

genoodzaakt wordt dit
want onvermijdelijk is dit

Dit schreef ik eens in een woordspelige toestand. Kennelijk was
er veel tijd en ruimte om zo iets te doen. Misschien was ik ook
bang om het te vergeten en schreef ik het daarom op.
Toen was er een zekere logica te bekennen in de bewering, nu
weet ik totaal niet meer waar het eigenlijk op sloeg. De nood-
zaak en het verband ligt voor altijd verborgen in het verleden.
Waarschijnlijk was het de taal van een overbelichte jongeman.
In elk geval was ik actief in de poëzie. Ik kende de genezende
kracht ervan. Gedichten schrijven was net zoiets als een genezen-
de handeling. Kunst verlicht altijd, actief en passief. Ik verwachtte
er veel van. Eigenlijk alles.
Toen was ik nog student en nu kan ik veel onder de noemer van
Romantische Droom plaatsen. Wendingen vallen op hun plaats
door brokstukken van samenhang, zou ik nu zeggen. Dat is een
andere dementie, een andere gedachte.
Ergens ben je dus altijd bezig met een soort verlossing, je leegt
je als mens en hoopt zo, op zijn best, geschiedenis te maken.
Anderen, meestal leken, zullen zeggen: Wat? Alweer? Voor de
hoeveelste keer? Daarop volgt steevast: Allemaal niets, het is
allemaal niets!
Dan hoop je maar dat het spottend bedoeld is.
Aan de andere kant, als mijn vliegwiel eenmaal draait is het niet
meer te stoppen. Ik kan mij niet indikken tot vertraging.
Gedichten wijzen mij een weg. Alles moet aan flarden. Weg met
de dwaze dwaalwegen.
Zo verlos ik mij van mezelf en dat is ook een fijne hobby.

Grijze man

Grey Out, 1999, acryl, 100 x 50 cm

1999_grey-out_k

Regendag

De dag bleef grijs. Hij ook. Had een ander een burn out, dan hij
beslist een grey out. Geen greintje kleur van binnen of van buiten
te bekennen. Een beetje zonlicht deed hem al gauw zeer aan de
ogen.
Tijd om een muziekje op te zetten misschien.
Intimiteit, openheid of een directe omgang met mensen was niets
voor hem. Als kijker heb je genoeg aan jezelf. Je bent zomaar uit
evenwicht met een grimmig randje. Het kon hem niet schelen hoe
ze over hem dachten of praten. Het klopte so wie so niet.
Tijd om een muziekje op te zetten misschien.
Soms zien we hem aan zijn bureau zitten. Het is meteen duidelijk
wie hij nu precies is. Het blijkt de broer van Anna te zijn. Een wat
vrouwelijke broer, geen vrolijk type. Met één oog lijkt hij dwars
door je heen te kijken, het andere oog is diep weg en leeg. Hij kijkt
of hij niet gestoord wil worden. Nu niet, nooit niet. Soms plukt hij
dromerig in zijn haar. Diep in gedachten verzonken leeft hij in zijn
volle fantasiewereld, die niet de onze is.
Tijd om een muziekje op te zetten misschien.
Bij wijze van uitzondering draagt hij soms de gevoelens van anderen
uit. Dan heeft hij een goede dag, een dag met kleur. Als je goed op-
let hoor je hem fluisteren: Durf jij vlinders vrij te laten vliegen?
Vreemd. Het is vast een project in zijn hoofd. Hij denkt veel na.
Soms zegt hij ook wel van die dik aangezette zinnen als: Ik gebruik
mijn gezicht als een doek.
Wat moeten we er van denken? Dat hij met zijn neusvleugels kan
communiseren?
Tijd om een muziekje op te zetten misschien.
Doe het dan ook!

http://www.youtube.com/watch?v=fXZR4zxMDeA&feature=player_embedded#!