Scherfhoofd

Kop, munt, 2013, computertekening

2013_kop_munt_ct

Leegte

Kees zit buiten, hij mompelt iets onverstaanbaars. Hij ruikt naar
jenever. Hij lacht net iets te hard en zegt dat wij vodden zijn.
Gewoon domme vodden!
En wij?
Wij proberen ons in te houden en verbergen onze rimpels voor zo
ver dat kan. Het gepiep waarin Kees leeft kan ons niets schelen,
hij is zijn eigen schoudervulling. Onnodig en nietszeggend. Soms
gaan we met elkaar om om niet stil te staan, soms kom je iemand
tegen bij de laatste ronde, soms vult het een leeg bed.
Maar als wij onze handen volgen met ons hart is Kees weg. Hij kan
niet tegen succes. Hij wil altijd schaken zonder stukken en kan zo
streng voor zichzelf zijn dat de ringen van zijn bril springen.
Kees heeft een scherfhoofd. Beschadigd kijkt hij ons verwijtend
aan. Hij kan prima uit die lussen van zijn ogen kijken en iets naars
daarbij zeggen. Dan moeten we weer zijn handen kussen, dan
moeten we weer de werkelijkheid, nou ja, zijn werkelijkheid sussen.
Laatst noemde een andere pummel hem een tafeltje verdriet. Dat
vond ik mooi gevonden en gezegd.
Ik wens Kees niet als koning. Ook ik heb mijn trots en ben geen
natte lopende meloen op tafel. Ik lach dus niet als Kees zijn laatste
jenever omstoot en lodderig valt.
Schoonheid hapert soms, kijkt niet dubbel, blijkt maar weer.

Papier

Day & Night, 2013, bewerkte foto

2013_day & night_bf

Overdenking in de nacht

Kan een silhouet ook jaloers zijn?
Als je van opzij alleen maar stemmen hoort en niemand ziet in de
uitgelezen ruimte, hoor je dat dan als muziek? Of wil je de woorden
toch verstaan en begrijpen?
Woorden op papier slingeren is iets moois, misschien zelfs wel een
gave. Op papier val je minder op, je bent ergens onnatuurlijk of
onwerkelijk, je hebt immers niets te vrezen. Papier is geduldig en
zegt niets terug. Je digitale trots heeft een gelukkig gezicht.
Schoonheid en verwondering houden van papier, zij kennen geen
sterrenbeeld of lach. Jij bent de ploeteraar die om zich heen grijpt.
Jij vreest wel, al weet je niet wat.
Aan de andere kant papier kent wel waterschade en brand. Dus
het is altijd toch uitkijken geblazen, je moet de zwaailichten niet
gaan opzoeken. Pak liever de eindeloze kruik en schenk ieder een
mooi glas!
Toen gebeurde er iets vreemds, zijn gedachten vierden al een over-
winning. Hij wilde zichzelf even feliciteren met de mooiste overwin-
ning op het leven, maar iets dreef hem de nacht in. Zijn silhouet
verdween gelijk. Het zwart at alles op. Hij dreef op een eiland in de
tijd en had zin om een kind in elkaar te zingen.
Dat doet de onbarmhartige nacht!

Vincent

Alles heeft tijd, 2013, bewerkte foto

2013_alles heeft tijd_bf

Tijdelijke dingen

Van Gogh is dood. We hebben het niet kunnen voorkomen dat hij
leeft. Zijn woede, in verf verteerd, kwam door het rookgat van de
eeuw zijn volle hoofd niet uit. Daardoor brandde hij op en werd
het tijdelijke verruilt met het eeuwige. De penselen voelden als
bezems die uit de kast wilden. De blaren stonden snel in zijn hand.
En wij leven nog en kraaien van plezier omdat de zwaarberookte
zonnebloemen aan de muur hangen.
Wij zagen hem nooit bloot of dood. Zijn grijze jongensoog gaf
geen enkel licht. Hij dronk te veel absint. Wie de toekomst in zijn
glas spuugt bewoont een wankel bootje in eigen tijd. De krullenwa-
ren al lang uit zijn nek geaaid toen het schot viel. Waarschijnlijk
merkte hij het te laat en haalde nog net de deur van het café.
Alles was door de tijd naar elkaar geschroefd tot in dit oog van de
storm. Zijn vrienden bleven weg omdat hij zo onhandig vrolijk kon
zijn. Ik weet zeker dat hij nog om zijn ouders heeft geroepen. Uit
pure onthechting riep hij: Vader haal me hiervandaan, sla alles kort
en klein! Moeder kijk hoe trots ik ben!
Tenslotte vertelden bebloede scherven de rest.
Kraaien maakten de aarde donker.
Ik zit rechtop in bed. De zon schijnt zijn sterrennacht.
Intussen wacht mijn toekomst.

Nieuwe stilte

Nieuwe ruimte, 2013, boek 108, pagina 65

2013_nieuwe ruimte_bk108_p65k

Nieuwe kansen

Soms vergelijk ik een expositie wel eens met de knieën uit een rok.
Als kijkers zijn wij de zon en wij dalen verinnerlijkt naar het naakte
vlees. Onder de zoom pakken we als het bevalt, plakken een rode
stip. We zijn verkocht.
Op een tentoonstelling vaar je vereenzaamd in een bedacht land-
schap. Je roeit elegant, langzaam langs de oevers, er is tenslotte
veel te zien. Het water, de galerist, waar je vaart schept op zodat
zijn zinkend schip niet zal gaan zinken.
Het is geen omkijk land, er zijn geen wuivende rietkragen of je zou
een gesprekje met de kunstenaar aan moeten gaan. Hij lult je zo
de knieën uit je rok. Allemaal heel interessant!
En dan sta je daar te naakten.
Ik ben er vaak bij geweest, dat kun je merken, maar ik herinner
me eigenlijk bar weinig. Het beklijft niet. Het ziedend rood op geel
dat zo woedend smeekte zei me niets. Ik herinner me wel dat ik
vaak in stilte was gestoken. Als ik dan opkeek was het wonder om
mij heen weg. Ik bleef over, waarschijnlijk was ik mezelf. Kennelijk
draag ik de nieuwe waarheid bij me en noem het richting of stijl.
Zo tekent mijn belofte in mijn stralende gezicht. Ik houd van knus-
se dingen en blaak van alles wat me per dag omringt.
Verder leef ik zo snel dat ik mezelf regelmatig heb ingehaald zonder
te crashen.

Loopje

Joggers, 2013, boek 108, pagina 90

2013_joggers_bk108_p90k

De gedachte loopt

Als ik jog ben ik een helikopter, die de file in mijn hoofd in de gaten
houdt. Als ik even niet oplet slaat hij af en duurt mijn loopje lang.
Ik kan niet op een holle maag lopen, dan kom ik in verkaveld land.
Dat brengt niets op. Dan is er iets mis met mijn verstand en loop
in twee richtingen tegelijk (om mezelf tegen te komen?).
Ik draai triomfantelijk een hoek om, op naar het verre volgende
stuk en verscheur alle entreebewijzen, ik ben er immers al. De sneue
snippers dalen als zieke duiven, krullen op van heimwee. Ik sluit mijn
ogen, loop automatisch als een blinde die de weg weet.
Onderweg stapt de herinnering vaak in. Ik zie iets en verdwijn in de
spiegel. Mijn helikopter ben ik al weer kwijt, ah een file in mijn hoofd,
hij zal wel ergens afgeslagen zijn.
Verderop kom ik, steeds verderop en mijn lijf heeft zich helemaal
met mij verzoend. Voor even en dat is genoeg. De wind slaat om
mijn oren. Dit is een mooie ademtocht die me doet leven, regels
worden afgelegd. Zon en wind, het wist de ogen open. Het maakt
je intens vrij.
Ineens word ik staande gehouden door een vrouw. Zij legt eerst
haar rechter vinger voor haar lippen, een teken van stilte of zwijgen.
Dan zegt ze uit het niets: Adem in wat er is, sla het gras van je
broek, adem uit in de stad, zo woon je waar je bent…
Snel jog ik door, hier kan ik niets mee. De vrouw tikt nog met de
zelfde vinger tegen haar voorhoofd en wandelt mopperend verder.
Alle mannen zijn gek of deugen niet, staat op haar lijf geschreven.
Wat rinkelt is een fietsbel. Pensionado’s met elektrische fietsen!
Vol ergernis ga ik op zij, zet mij helikopter weer aan, geef hem eigen-
schappen mee, geen manieren. Ik maak mij los van mijzelf en ga er
vandoor als een bijzondere bijzin.
Niets groeit op mijn rug, ik ben er te vaak geweest.
Mijn heden rinkelt om mijn lendenen tot mijn hoofd iets anders verzint.

Broddel

Klein & groot, 2013, boek 108, pagina 81

2013_klein en groot_bk108_p81k

Zoveel

ik ben zo zwaar bewaakt
door mijn innig Italië
dat ik mij besluimer
tot zijn bruid die ik niet ben
verwerkt en welgedaan
sluit ik mijn rozenmond

de zon broddelt mijn hoofd
geen harde wapenwoorden
komen uit de hittegolf
het eens bedauwde gras
is dor en droog geworden
mijn rozenmond kust

mijn prikkelbaard zal desgewenst
alle grensbewaking uitschakelen
een hele heelal sprong
dat is geen half werk
kettingsloten verschuiven
mijn rozenmond omhoog

klein en groot
zoveel liefde wil naar binnen

Natuur

Kijk op landschap, 2013, computertekening

2013_kijk op landschap_ct

Richting

Het is zomer, warm. Als wij tegen de avond aan de rand van het
bos komen is de lucht prachtig rood. We zouden hier voor altijd zo
willen blijven staan, als een levende dia. We hebben geen zin om
weg te gaan, maar de zon denkt er anders over, die verdwijnt ten-
slotte. Zij zakt in de horizon.
Terwijl we tijdloos staan te kijken ontwikkeld iemand van ons een
melodie, die een beeld ontwerpt van de weg. Een vorm uit het niets
doemt op, zingt als het ware luidkeels mee. Zoiets maakt je blij.
Voor dat ook verdwijnt zien we nog een glimp van onze schoenen
of van onszelf. Daarna is het nacht, even kleurloos tot onze ogen
weer kunnen kijken.
Steeds vlamt de vraag op waarom dit alles zich zo moet herhalen.
Iemand probeert het uit te leggen, de rest zegt in koor o nee hè…
Nee, doet hij dan maar, de natuur hoort zo stil te zijn als een sta-
melende lijmpot. Wij hebben onze aura uitgeschakeld voor alle
database, heden is niemand thuis.
Dan:
De razende stad met de onverbiddelijke schoonheid lokt. We ver-
trekken. Schoonheid met een diep geheim dat niets verbergt. Zo
zou je de stad kunnen omschrijven. Overal gelijk en hevig daar te
zijn.

Elleboog

Gedachte vrouw, 2013, computertekening

2013_gedachtevrouw_ct

Binnenhoofd

Es is een lastpak, ze zwaait altijd met haar hand. Woorden alleen
zijn niet genoeg. Haar mooie gazelle ogen schieten vaal vol vuur.
Ze kan mensen laten verdwalen tot het laatste streepje kust.
Vooral onthechte mannen krijgen er van langs, die zijn vies,
smerig en vaak oud.
Met haar opgetrokken bovenlip blaft ze koud gif. Iedere droom lost
in het niets op of heeft op zijn gunstigst een bange scheve bril op
de neus. Je wordt nooit door haar verwarmd, al ruik je de geur van
thee of bittere geraniums vlakbij.
Voor je weet sta je al een uur te niksen op je plek met je hunker-
hoofd. De wind waait iedere tijd weg, alle vogels schrikken.
Soms heeft Es een schoon gewassen gezicht en laat ze de laatste
liederen kalm tot haar komen. Haar mond blijft dicht, maar zal
geen stofnest worden.
Dan komt Pee en die kent haar heimwee liedjes.
Hij wrijft de kou uit haar. Wangen worden rood. Pee kan veel in
lange stilte. Hij heeft nog de gouden pyjamawimpers van een kind.
Hij is snel, een ander krijgt geen tijd. Sommigen vinden hem daar-
door een dwingeland. Wat waar is. Het kan Es niets schelen, Pee
is een geweldige tovenaar. Hij kan haar bleke nonnenkop kleur
geven. Haar bloesems vallen voor één keer, hij mag haar hebben,
aan haar randjes komen, voordat hij haar zingend achterlaat.
Nog even en het bloed haakt in op koorts. Ze gaan samen vliegen.
Het zoete gerecht geurt, breekt los.

Kleurloos

Grijs persoon, 2013, computertekening

2013_grijs persoon_ct

Ooit of nooit

De muze kent misschien geen babbel, maar ze kent mij. Altijd.
Ze toetst met haar vingertoppen woorden in mijn gestel. Ik hoef
ze er alleen nog maar uit te persen op een X moment. Hoe ge-
makkelijk kan het zijn!
Mijn losse loze woorden passen zich daarna gemakkelijk aan.
Het wonder blijft uren duren zonder dat ik er om vraag.
Mijn broek wappert van genoegen, omdat ik tot de hemel reik.
Ik ben geen bootje wat aarzelt. Bootjes die aarzelen drijven op
niets, gaan naar de bodem.
Daar wil ik het even over hebben,
want
hoe anders is het lot van een grijs persoon. Die heeft altijd heim-
wee naar de dag van gister. Geluk maakt hem nog depressiever.
Zijn boekenkist blijft dicht. Zijn naam staat alleen maar in het
telefoonboek, niet eens op de voordeur. Hij is een keer ontsnapt
uit het zonlicht en de mist heeft zich toen over hem ontfermd.
Grauw en grijs valt niet direct op de mist. In zijn kamer verkleurt
hij snel, hoewel de gordijnen dicht zijn. Hij is een uitgebloeide,
losgeraakte bloem. In de dagelijkse ontvreemding verdwijnt hij
in de schemering der dingen. Ieder jaar sterft hij zonder dood te
gaan. Geen enkele muze bezoekt hem. Hij is als een oude schuur:
alles wat is blijft tot het vergaat.
Daar hoeven we het dus niet over te hebben.

Mystiek

Het oog eet, 2013, boek 108, pagina 91

2013_het oog eet_bk108_p91k

Dubbelgezicht

Mijn verstand zegt dat een ander wezen net zoveel mens is als ik,
mijn gevoel zegt soms heel andere dingen. Zouden bomen ook zo
over andere bomen denken? Of is alles in de natuur alleen decor?
Als ik aandachtig naar het leven dat de mensen leiden kijk, zie ik
daarin niets aan wat zou verschillen van het leven van de dieren.
Opvallend misschien, maar dieren worden net zo in de wereld ge-
slingerd als mensen. Beide vermaken ze zich met tussenpozen.
Ergens hebben ze dezelfde organische kringloop en zowel mens als
dier denken niet verder dan ze denken tot het noodlot toeslaat.

Maar dan de mystici en de asceten, die doen anders. Zij proberen
zich met vallen en opstaan te bevrijden van de dierlijke wet. Zij
ontkennen zelfs die wet in een zelfgekozen martelaarschap en lijden.
Alle anderen zijn niets meer dan zwijgende figuranten, die min of
meer tevreden zijn met de ijdele ernst van hun eigen optreden. Dit
alles natuurlijk onder de grote rust van de sterren.

Als ik zo over hun schrijf, word ik vanzelf bijna een mysticus, maar
ik zou er niets van bakken omdat al mijn woorden worden ingege-
ven door mijn terloopse hersenen. Ergens blijf ik mijn eigen kan-
toorbediende. Alleen plaatsgebonden onderwerpen komen boven
borrelen. Ik zal altijd slaaf zijn van mijn gevoelens en het tijdstip
waarop ik die heb.
Ook dat is een feest, al begrijp ik het zelf vaak niet.